Onderwijsproject Verborgen Familieverleden ook interessant voor de pers

Het onderwijsproject Verborgen Familieverleden van Ferdi Schrooten en mij krijgt steeds meer aandacht van de lokale pers, zowel van dagbladen als van televisie. Zie eerdere blogs over dit onderwijsproject hier en hier.
Betekenisvol onderwijs en koppeling met onderzoeksvaardigheden, onlinegeletterdheid/ digitale geletterdheid, schrijven en persoonlijkheidsvorming is interessant, en niet alleen voor leraren.

Ook de televisie heeft belangstelling. Op 20 april kwam NH TV/ Media op bezoek om het Scholengemeenschap Huizermaat in Huizen voor een item over de lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’. Ze hebben daarbij een leerling geïnterviewd die onderzoek had gedaan naar zijn grootvader die in de Tweede Wereldoorlog zowel aan de goede als aan de verkeerde kant had gestaan. NT TV heeft opnamen gemaakt op school, maar gaat ook, samen met de leerling praten met de familie. Dit item wordt gemaakt in de aanloop naar 4&5 mei op tv.

In de schrijvende pers staan artikelen in de Gooi en Eemlander en in het Nieuwsblad voor Huizen.

Gooi en Eemlander

 

 

Leerlijn schrijven herschrijven. Het kan en moet beter.

Laten we samen aan de slag met het ontwerpen van een moderne leerlijn schrijven. Deze behoefte heb ik als leraar Nederlands en sluit ook aan bij mijn onderzoek en ontwikkelwerk rond onlinegeletterdheid.
Ik heb net een oproep via de sociale media gedaan om samen na te denken over en te gaan ontwerpen van een leerlijn schrijven. Mijn invalshoek is bovenbouw VO, maar onderbouw VO en MBO hebben natuurlijk eenzelfde probleem, denk ik.
De schoolboeken leveren niets bruikbaars, het is alleen schrijven voor een cijfer, leerlingen worden hetzelfde behandeld, nieuw mogelijkheden krijgen geen aandacht, leerlingen kunnen geen individueel traject kiezen, (zie verder beneden). Ook is schrijven tegenwoordig in in onze crossmediale informatieomgeving heel anders dan vroeger. Dit kan beter.
Ik ben heel benieuwd naar andermans ideeën en hoop op een ontwikkelgroep. Lees de oproep die ik op sociale media – met name de groepen Actief leren zonder cijfers en Leraar Nederlands op Facebook- hieronder en reageer.

Ik ben ontevreden over de leerlijn schrijven op mijn eigen school, die het niveau van een aantal opdrachten in het PTA niet overschrijdt. Ik probeer wel van alles, maar het is niet systematisch en dat wil ik wel.
Wie wil meedenken en meewerken over/ aan het ontwerpen van een leerlijn – in eerste instantie voor de bovenbouw – voor schrijven, waarbij formatief toetsen/ feedback, keuzevrijheid leerlingen/ leertrajecten, verschillende manieren van afsluiten, online en offline samenwerken en integratie met onlinegeletterdheid een onderdeel zijn. Maar ik wil niet een theoretische leerlijn, maar ook praktisch een verzameling opdrachten, didactische werkvormen, misschien een online werkomgeving (heb vroeger hiervoor wel Wikis gemaakt). Wie doet mee?

Weer Babylon: waarom we het elkaar zo moeilijk maken en we dat niet meer moeten doen

BabylonKennisnet heeft wel een mooie nieuwe website, maar draagt wel weer bij aan de verwarring die heerst rond geletterd zijn online. Een korte beschrijving van het laatste ICILS onderzoek heeft als titel Onderwijs draagt nauwelijks bij aan digitale geletterdheid. De beschrijving zegt dat het onderzoek gaat over “veilig omgaan met ict en het vermogen om effectief informatie te zoeken, selecteren, beoordelen en delen met digitale media. De onderzoeksresultaten tonen aan dat lessen over mediawijsheid of het gebruik van ict op school geen invloed hebben op de digitale geletterdheid van jongeren. De score van leerlingen op een praktische toets voor digitale geletterdheid wordt vooral bepaald door de thuisomgeving, zo blijkt.” Heel veel termen die iets met gebruik van ict en/of digitale of online informatie te maken hebben in een alinea. Door ICILS wordt digitale geletterdheid in zeer ruime definitie gebruikt, en vooral bedoeld dat jongeren veel achter de computer zitten (wat bij 21t eeuwse vaardigheden dan weer het pizzaschijfje ICT-vaardigheden is). Digitale geletterdheid is ook gekaapt door de KNAW in hun rapport, waarmee getracht werd informatica te redden van de dood. Boven de beschrijving op Kennisnet staan ook nog twee twee onderwerptitels (1) Digitale vaardigheden en (2) 21ste eeuwse vaardigheden. Daar kan het ook wel onder.
De laatste tijd heb ik bijna elke week een workshop, key-note of adviesgesprek over onlinegeletterdheid en ik merk dat de Babylonische spraakverwarring erg in de weg zit bij het serieus aan de slag gaan door leraren. Ik heb daar anderhalf jaar geleden al uitgebreid over geschreven onder de titel onlinegeletterdheid: weten waar we over praten. Ik ben ook schuldig met mijn term onlinegeletterdheid, maar ik merk wel dat de koppeling geletterdheid (lezen en schrijven) en online de meeste leraren talen / Nederlands het gevoel geven dat ze het over hun eigen vak hebben. Het gaat er helemaal niet over dat informatie digitaal is, maar dat informatie online een heel andere vorm heeft en dat om daar goed mee o te gaan nieuwe vaardigheden nodig zijn en andere belangrijker zijn geworden. Met het gebruik van de naam onlinegeletterdheid  blijf ik dus maar doorgaan.
Mijn oproep is wederom wel goed uit te kijken met het zomaar door elkaar gooien van allerlei termen. Het geeft verwarring en dat kunnen we echt niet gebruiken. Om te eindigen met een vrolijke noot: ik was erg tegen de term Mediawijsheid ( en nog steeds een beetje), maar ben nu veel meer vriendjes, vooral doordat ik samen met Patrick heb gemerkt onder dat we goed samen kunnen werken en dat leraren dat waarderen.

Online vakoverstijgende leeromgeving 1999-2002. Heelal, deel 2

Het Heelal leeromgeving In een andere blog heb ik al gesproken over de digitale vakoverstijgende leeromgeving die ik heb ontworpen aan het eind van de vorige eeuw. Ik vond het erg leuk dat ik informatie daarover terugvond op de (digitale) zolder.
Daarna vond ik nog meer informatie op diezelfde zolder. In 2002 werd ik geïnterviewd voor het NVOX-blad door Henny Kramers-Pals. We hadden het toen nog over het verschil tussen digitale leeromgevingen en Webquests ( weet je nog?). Wat een leuke dingen deed ik toen 😉
Hier staat het interview Jeroen Clemens over de digitale leeromgeving Het Heelal 

Het Heelal, vakoverstijgende online leeromgeving 1999-2002

Nostalgia 2:
IMG_0422

Met de browser Netscape, een innovatie 😉

Aan het einde van de vorige eeuw, begin deze eeuw, was ik al bezig met het ontwerpen van elektronische leeromgevingen. Ik was gefascineerd door de mogelijkheden van internet en wilde graag vakoverstijgend laten leren met een nadruk op hogere orde vaardigheden. Ik citeer “En het is een interactief platform waar mensen met elkaar kunnen communiceren. Het Heelal – dat zich niet tot bètavakken beperkt – is gericht op vakoverstijgend leren en kan worden gebruikt door alle vakdocenten. De leeromgeving sluit aan bij het streven naar onafhankelijk en actief leren, naar productief leren en naar het werken met betekenisvolle taken.” Dit klinkt nu main-stream, maar dat was het 15 jaar geleden niet. Ik werkte bij het APS en had in Javascript, het meest moderne van toen, een elektronische omgeving laten programmeren, Het Heelal.
Ik vond net een artikel uit Didactief 2004, waarin een onderzoekje staat beschreven naar onze pilot met deze leeromgeving. Hierin kan je lezen wat de doelstelling en de opzet was. En zie je ook dat online samenwerken in die tijd heel moeilijk was, vanwege de matige kwaliteit van de electronica en internet. Bedenk: het was in de tijd dat internet heel traag was en er maar weinig computers op school waren. Ik kopieer de tekst hieronder en voeg het artikel Heelal Middelbare scholen testen elektronisch leren, waarin ook een mooie foto van toen, bij. Helaas heeft het APS de server, waar de elektronische leeromgeving op stond weggegooid. Hij is dus niet meer life te zien. Ik heb nog wel screenshots die ik later zal bijvoegen.

Middelbare scholen testen elektronisch leren.
Het Heelal op proef.
Didactiek, jan. 2004
Voorzichtig starten scholen met het inzetten van een elektronische leeromgeving. De vooruitzichten zijn groots, maar in de praktijk blijken er flink wat kinderziektes te overwinnen. Twee middelbare scholen waagden een experiment met ‘Het Heelal’. De evaluatie levert nuttige gegevens op voor een volgende ronde.
Twee scholen voor voortgezet onderwijs, het Pleincollege Bisschop Bekkers en de vestiging Het Nieuwe Eemland van het Meridiaan College, voerden gedurende twee jaar een kleinschalig experiment uit met de elektronische leeromgeving ‘Het Heelal’. Het Heelal is een databasegestuurde website met een tweeledige functie. Het is een (informatie) bron waar opdrachten op staan waarvoor op internet gezocht moet worden. En het is een interactief platform waar mensen met elkaar kunnen communiceren. Het Heelal – dat zich niet tot bètavakken beperkt – is gericht op vakoverstijgend leren en kan worden gebruikt door alle vakdocenten. De leeromgeving sluit aan bij het streven naar onafhankelijk en actief leren, naar productief leren en naar het werken met betekenisvolle taken. Doorslaggevend argument voor de scholen om voor Het Heelal te kiezen was dat dit product reeds opdrachten bevatte, in tegenstelling tot veel andere elektronische leeromgevingen (elo’s). De scholen werkten tijdens twee schooljaren gedurende zes tot acht weken in 4 en 5 havo en/of vwo aan het project Het Heelal. De coördinatie en realisatie van het project berustte geheel bij de ict-coördinatoren, op beide scholen een bètadocent. Op beide scholen namen vier tot vijf leraren deel aan het project. Door vertrek van een aantal docenten die aanvankelijk het project zouden uitvoeren, moesten minder ictvaardige docenten hun taken overnemen. Het project is uitgevoerd bij de vakken anw, biologie, frans, klassieke talen en/of economie. De introductielessen vonden in de klas plaats, daarna werden de opdrachten door de leerlingen buiten de klas uitgewerkt op een door hen zelf gekozen plaats en tijdstip. Beoordelingscriteria en tijdsplanning waren bij de opdrachten vermeld. De bedoeling was dat de leerlingen on line zouden samenwerken en on line met de docenten over de vorderingen en producten zouden communiceren. Met de deelnemende leerkrachten is voorafgaand aan de start het programma doorlopen; tijdens de rit kregen ze technische begeleiding van de ict-coördinator. Overleg vond ad hoc plaats. De docenten konden bij problemen telefoneren of e-mailen met de externe begeleider. Er heeft geen onderwijskundige begeleiding plaatsgevonden. Op grond van de evaluatie van het eerste uitvoeringsjaar zijn er in Het Heelal een aantal verbeteringen aangebracht en hebben de docenten zelf opdrachten gemaakt voor het tweede uitvoeringsjaar, die ze trachtten in te passen in het curriculum. De opdrachten gingen over zaken als microorganismen, voortplanting, fabeldieren, of over het kopen en huren van een huis. Aan het einde van het tweede uitvoeringsjaar is opnieuw geëvalueerd.
RESULTATEN
Is het project geslaagd? Voor een deel wel, zo blijkt als we de vooraf geformuleerde doelen voor het management, de docenten en de leerlingen langslopen. De scholen hebben daadwerkelijk een elo ingezet in het primaire leerproces en ze gaan daar zeker mee door. Door het experiment hebben de schoolleiders nu een beter idee hoe dit vervolg opgezet moet worden. De link naar het leren en onderwijzen moet echter nog verder uitgewerkt worden. Of en in hoeverre de leraren beter zicht gekregen hebben op de mogelijkheden van een elo en op de mate waarin ze meer durf hebben gekregen ermee te werken, dat verschilt van docent tot docent. De meerderheid is gemotiveerd gebleven of geraakt om er in de toekomst gebruik van te maken. Maar wel is duidelijk geworden dat de opstellers van ict-projecten de mogelijkheden van leerkrachten niet moeten overschatten. De doelen voor de leerlingen zijn deels gerealiseerd. Alle scholieren hebben leren werken met een elo. En vrijwel alle leerlingen hebben samengewerkt en een ‘product’ gemaakt, zoals een powerpointpresentatie of een webpagina. Een deel heeft ook iets geleerd over een planning maken, een onderzoek uitvoeren en presenteren. De scholieren hebben daarbij vaker iets geleerd van zichzelf dan van de docent, van de elo of van de medeleerling. Dit beantwoordt aan de wens van de scholen dat leerlingen vooral zelfstandig leren.
ADVIEZEN
Betrokkenen van beide scholen gaven een groot aantal adviezen voor verbetering van een project als Het Heelal en voor leeromgevingen als zodanig. Zo viel de hoeveelheid en ook de geschiktheid van de opdrachten tegen. En de beloofde dan wel gewenste uitbreiding van het aantal opdrachten vond vrijwel niet plaats. Behalve dat een aantal van twee deelnemende scholen daarvoor te gering is, bleken de uitvoerende docenten ook over te weinig tijd te beschikken om zelf meerdere opdrachten (met links naar andere bronnen) te ontwikkelen. Het ontwikkelen van opdrachten zal op een andere manier georganiseerd en gerealiseerd moeten worden. De nagestreefde on line communicatie kwam niet goed van de grond doordat docenten en leerlingen elkaar dagelijks zagen; mondelinge communicatie gaat dan sneller. On line samenwerking zal alleen lukken als er door leerlingen en docenten van verschillende locaties of scholen tegelijkertijd gezamenlijk aan een opdracht gewerkt wordt. Omdat Het Heelal nog in de experimenteerfase verkeerde, waren uitbreiding en integratie in het onderwijs niet mogelijk. Een schoolleider: “In een dergelijke fase heeft het alleen zin om er met pioniers aan te werken. Evenmin is in zo’n stadium een elo geschikt om docenten computervaardig te laten worden. Gebleken is dat het zeker een jaar duurt voordat een klein groepje docenten uit de voeten kan met een elo, zelfs als het een goed programma zou zijn. Een school moet nu eenmaal zelf kunnen ervaren, zelf uitvogelen”. Maar een dergelijk project moet wel planmatig aangepakt worden, met evaluatie en snelle bijstelling. Onderwijskundige begeleiding en de aanwezigheid van iets als een helpdesk zijn noodzakelijk. Expliciete ondersteuning door de schoolleiding spreekt voor zich. Of de leerlingen met Het Heelal meer kennis hebben opgedaan dan via een traditionele werkwijze, kon niet worden nagegaan. De leerlingen werkten buiten het zicht van de docent aan de opdrachten, toetsen was niet mogelijk. Voor het opdoen van vakkennis zou deze elo zich dan ook minder goed lenen. ‘Andere’ vaardigheden zouden gemakkelijker te realiseren zijn, zoals het leren omgaan met een elo, het doen van een onderzoekje, het maken van een planning of iets presenteren. Daaruit vloeit voort dat het werken met een elo beter in de lagere leerjaren kan plaatsvinden, nadat eerst cursussen in de basisvaardigheden, afgestemd op wat een leerling al kan, zijn gegeven. De kwaliteit van de leeromgeving ten slotte werd door de leerlingen gemiddeld als net voldoende beoordeeld. De leerlingen adviseren dan ook uitbreiding en een grotere toegankelijkheid van bronnen, meer ruimte, meer multimedia, een chatbox, maar ook een betere uitleg op de site van hoe de elo werkt. Een pagina met instructies is bijvoorbeeld door een deel van de leerlingen niet gezien. En de opdrachten werden door een deel van de scholieren tamelijk oninteressant gevonden, een belangrijk knelpunt. Slechts een enkele leerling heeft zelf een opdracht ontworpen. Evenmin waren alle scholieren tevreden over de rol van de docent. Enkele leraren kregen dan ook het advies zich zelf eerst voor te bereiden en pas dan duidelijk uit te leggen, meer interesse te hebben, meer persoonlijk contact te hebben met de leerling, meer te motiveren en meer ‘leraar’ te spelen. Het aantal doelen dat vooraf geformuleerd was voor het management, de docenten en de leerlingen blijkt achteraf te groot geweest te zijn voor een kleinschalig project als dit. Duidelijk is dat voor het inzetten van een elo een beperkt aantal realistische doelen geformuleerd moet worden en dat vooraf concreet uitgewerkt moet zijn hoe die doelen gerealiseerd en getoetst kunnen worden. De ontwikkelaars van Het Heelal werken inmiddels aan verbetering (http://heelal.aps.nl).
A.M. de Vries, Ervaringen met een elektronische leeromgeving in havo en vwo (lpc-kortlopend onderwijsonderzoek uitgevoerd op verzoek van het veld), GION/RUG. a.m.de.vries@ppsw.rug.nl

1995-97 Digitale schrijfomgeving op CD-Rom: de voorhoede van toen

Komend weekend is de 28e HSNconferentie 2014 in Brugge. Bij het voorbereiden van mijn presentatie kwam ik toevallig de presentatie tegen die ik 14 jaar geleden heb gegeven op HSN14 in 2001. Ik werkte toe op het APS als projectleider Talen en was heel geïnteresseerd in de mogelijkheden van ICT en leren. Een van de dingen die we toentertijd hebben ontwikkeld was een digitale schrijfomgeving met de veelzeggende titel Octopus. Deze omgeving is ontworpen in opdracht van Print-Vo 1995-97. Dit was in de tijd dat internet nog niet zo goed was en er zeker geen handige cloudomgevingen te vinden waren. Wij maakten toen leeromgevingen die je op CD-rom ( ja, zeker), kon aanschaffen. Het was een briljant idee in een tijd dat je nog niet zoveel digitale mogelijkheden had.
Lees mijn stukje over Octopus met de titel Octopus, een leerrijke digitale schrijfomgeving. Hulp bij gedocumenteerd schrijven en verbaas je: Octopus HSN 14 2001

Mijn portret in Vives september 2014

Ik ben er trots op, een portret van mij, mijn activiteiten rond ICT en leren van de afgelopen 25 jaar en mijn onderzoek naar online geletterdheid in Vives, 141, september 2014. Lees dit in de Vives op school of neem een abonnement voor maar 10 Euro. Vives is de moeite waard. Of, als je veel haast hebt is hier  Het Portret in woorden  en ook Het portret in beeld  Het beeld is de foto, gemaakt door mijn dochter Robin Alysha Clemens, fotograaf in opleiding. Naam staat er helaas niet bij in Vives, de papieren uitgave. Online wordt dit goed gemaakt, heb ik begrepen. Dan hier ook maar de link naar haar website.
Verder ook een heel leuke Vives, met bijna een verjaardagsfeestje-gevoel met @kardonsch @bososs @jasperbloemsma @FadiEsak @ernomijland @trendmatcher @FransDroog over onder meer Tablets, BYOD, TheCrowd, en een gesprek met Paul Rosenmöller van de VO-raad, die ineens zegt dat scholen willen innoveren. Hij brengt het als een observatie en conclusie. Optimistich, zullen we maar zeggen, maar wel een goede instelling.
Een prachtige eersteling van hoofdredacteur @karinwinters.  Gefeliciteerd, Karin. 

Eerste reactie SLO boekje Digitale geletterdheid en 21e-eeuwse-vaardigheden

De SLO heeft net een concept boekje geschreven over Digitale geletterdheid en 21-eeuwse vaardigheden.
Omdat ik bezig ben met promotieonderzoek op het gebied van online geletterdheid / online tekstbegrip voelde ik de behoefte hier kort op te reageren, omdat volgens mij de kant van online geletterdheid als een uitbreiding van de vaardigheid lezen en schrijven teveel buiten beeld blijft. Om leraren erbij te betrekken is het van groot belang om de samenhang met wat ze al zien als vakinhoud te benadrukken. In mijn geval is dat door te stellen dat voor het begrijpen van begrijpen van online teksten  – online geletterdheid  – additionele vaardigheden nodig zijn. Online geletterdheid is dus een uitbreiding van de traditionele definitie van geletterdheid / lees- en schrijfvaardigheid. En ik spreek hierbij in elk geval de leraren Nederlands aan. Zoals al eerder gezegd lijkt dit aan te slaan omdat de interesse uit het veld groot is.
Ik citeer mijn reactie [er zijn een paar typo’s uitgehaald] en ik ben mij ervan bewust dat dit gezien kan worden als een schreeuw om aandacht voor mijzelf. Dat is niet de bedoeling. De SLO is er voor het onderwijs en ik vind dat het boekje voor het onderwijs nog te weinig biedt. Later ga ik er hier nog wat dieper op in.

Met interesse heb ik jullie conceptboekje gelezen over digitale geletterdheid en 21e-eeuwse vaardigheden. Zoals je weet ben ik bij Joke Voogt bezig met promotieonderzoek naar online geletterdheid. Daarbij constateer ik dat het feit dat geletterdheid in de zin van lezen en schrijven nu zoveel is veranderd dat er een nieuwe definitie aan moet worden gegeven en vooral dat het onderwijs in geletterdheid flink moet veranderen. Er is veel bewijs dat veel leerlingen niet meer goed in staat zijn online teksten te begrijpen, omdat daar additionele vaardigheden voor nodig zijn, die niet worden onderwezen en omdat andere vaardigheden en strategieën veel belangrijker zijn geworden ( zoals de door jullie genoemde kritische vaardigheden).
Jullie constateren terecht dat er veel termen worden gebruikt voor nieuwe of meer belangrijk geworden kennis en vaardigheden (en houding). In het onderwijs zie ik een terminologische verwarring.  En ik mis iets: Bij informatievaardigheden wordt leesvaardigheid als een voorwaardelijke vaardigheid gezien ( maar daarbij wordt uitgegaan van een traditioneel, niet meer passend beeld van leesvaardigheid / geletterdheid), en de KNAW lijkt vooral de ict-vaardigheid te benadrukken. De termen zoals jullie die bespreken in jullie rapport haken ook niet aan bij de leerkrachten en ( ik kijk even naar mijn school) nopen geheel niet tot integratie of uitbreiding van de eigen eindtermen van het vak, in mijn geval Nederlands. Ik schrijf hier ook over op mijn edublog zie bijv. http://bit.ly/1gFQ3Rl. Leraren hebben wel veel behoefte aan ondersteuning. Ik heb net een landelijke survey gehouden onder leraren Nederlands en zij hebben veel behoefte aan professionalisering maar niet aan nieuwe vakken (zie mijn artikel in Levende Talen Magazine: zie verderop). Ik zie de vaardigheid online teksten te begrijpen en te gebruiken dan ook als een uitbreiding van de definitie, in mijn geval van geletterdheid en de noodzaak meer nadruk te geven aan bepaalde vaardigheden in nieuwe digitale omgevingen. De school moet aan de slag. Ik kies hierbij pragmatisch om bij het vak Nederlands te beginnen en daar online teksten en bijbehorende vaardigheden te introduceren.
Ik heb daar net een artikel over gepubliceerd in Levende Talen Magazine.  Hierin zeg ik dat geletterdheid een andere inhoud heeft, online teksten fundamenteel anders zijn, leerlingen niet altijd goed zijn in die nieuwe vaardigheden en er nieuwe vaardigheden moeten worden onderwezen. Dit heeft ook consequenties voor het curriculum en de examens ( die nogal leidend zijn in ons land). In het oktobernummer van Van 12 tot 18 komt nog een artikel van mij hierover en in het septembernummer van Vives staat een interview met mij. De interesse uit het veld is groot van scholen tot uitgevers, van het CITO tot de (Vlaamse) lerarenopleidingen. Een uitgever heeft mij uitgenodigd om het auteursteam Nederlands te komen ondersteunen en mee te schrijven. De interesse is er nog niet van de SLO, ondanks het feit dat Jan vd Akker wel een keer tijdens een gesprekje zijn interesse toonde. Ik vind dat deze andere kijk op digitale geletterdheid niet genoeg in beeld is, ook niet in jullie verder mooie overzicht en dat daardoor de aansluiting bij het onderwijs minder goed plaatsvindt. Het gaat om het aansluiten van het onderwijs op de moderne tijd en dit is er een aspect van.
Groet,

Levende Talen Magazine “Het nieuwe lezen, anders bekeken “

Deze week is mijn artikel over Online tekstbegrip en online geletterdheid verschenen in Levende Talen Magazine (LTM). LTM is een vakblad voor talenleraren. De titel is Het nieuwe lezen, anders bekeken.  Een belangrijke uitdaging voor de taalleraren. De lead zegt wat ik duidelijk wil maken:  De meeste van onze leerlingen zijn vrijwel constant online. Online communiceren gaat snel en via steeds weer nieuwe digitale middelen. Leerlingen hebben daar zo te zien geen enkel probleem mee. Deze kinderen hoeven niets meer te leren, zeker niet van de digital immigrants, die wij als oudere leraar zijn. Zij zijn verder en beter dan wij… Deze gedachtengang is voor een groot deel een misverstand, waar we als leraren talen snel vanaf moeten. Er is een nieuwe uitdagende opdracht en leraren zijn daar heel belangrijk bij.
Voor diegenen die onverhoopt geen lid zijn van Levende Talen hier het LTM artikel mei 2014 Ik hoop op veel reacties.

Onlinegeletterdheid: weten waar we over praten

Deze post verschijnt ook op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs
Nieuwe vormen van communicatie online vragen een nieuwe vorm van geletterdheid. Over de vraag wat dat precies is, vindt een hevige discussie plaats. We weten al genoeg om te kunnen constateren dat het gebruiken van informatie online nieuwe vaardigheden vraagt, dat leerlingen hier niet altijd goed in zijn en dat er nieuwe didactiek en materiaal nodig is om in het onderwijs hier aandacht aan te kunnen besteden. Dit is onderwerp van mijn promotieonderzoek.
Ik krijg vanwege mijn onderzoek naar online tekstbegrip regelmatig scholen aan de lijn die willen praten over hoe zij aandacht zouden kunnen besteden aan het begrijpen en gebruiken van online informatie. Ook anderen willen hierover in gesprek (CITO, lerarenopleidingen, uitgevers etc). De ‘sense of urgency’begint te komen, het is hot.
In de gesprekken zie ik dat er veel verwarring is. Een belangrijke reden daarvoor is dat er een Babylonische spraakverwarring is rond werken met internet en online informatie.  Hier sprak ik al over in oktober 2011 (!)  “Come, let us go down and confound their speech”. Maar het is de afgelopen jaren niet beter geworden. Een onduidelijke terminologie zit innovatie van onderwijs in de weg, is mijn stellige overtuiging. Ik praat vooral met talendocenten. Ik ben er zelf ook een.

Een van de beletselen om als (talen)docent na te denken over een uitbreiden van het curriculum is de onduidelijke definitie en verwarrende terminologiie. Het gaat om termen als: 21st century skills, digitale geletterdheid, ict-vaardigheden, mediavaardigheden en –wijsheid, informatievaardigheden, online tekstbegrip, het nieuwe lezen en nog veel meer. In de Engelstalige literatuur wordt de term literacy (geletterdheid) veel gebruikt, maar die term is verworden tot een synoniem van vaardigheid en dus slecht bruikbaar geworden (Belshaw, 2011). Een rapport van de KNAW (KNAW, 2012) heeft als titel Digitale Geletterdheid, maar die term wordt daar gebruikt als synoniem voor ICT-vaardigheid, waar docenten informatica mee aan de slag kunnen. De term Informatievaardigheden wordt ook veel gebruikt (Brand-Gruwel, S., & Walhout, J., 2010).

Ik pleit voor de termen onlinegeletterdheid en online tekstbegrip. Ik leg uit waarom. In gesprekken met (talen)docenten probeer ik consequent te blijven in mijn terminologie en aan te sluiten bij termen waar zij aan gewend zijn. In het talenonderwijs is de term geletterdheid bekend en dit is opgenomen in domeinen van het vak. Deze term omvat drie competenties: Lezen, Schrijven en Literaire competentie. Ik wil mij hier richten op de taalvaardigheidscomponenten, dus lezen en schrijven. Geletterdheid is een psycholinguistisch proces dat verschillende fasen omvat. Talendocenten hanteren als zij hierover praten meestal de hoofdfasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken. Binnen deze fasen worden verschillende vormen van taalkennis, taalvaardigheden en -strategieën opgenomen. In de eerste twee fasen gaat het vooral over leesvaardigheid / tekstbegrip en de laatste fase betreft online schrijven, met onderliggende taalkennis, deelvaardigheden en strategieën.

Het lezen en schrijven vindt tegenwoordig vooral via internet plaats, online dus. Voor het goed kunnen lezen en schrijven online wil ik dan ook de term onlinegeletterdheid hanteren, het (kunnen) lezen en schrijven online. Simple as that. Dit betekent een uitbreiding van de term en het domein dat wordt gehanteerd in talenonderwijs. Het is ook een duidelijk standpunt dat online geletterdheid bij talenonderwijs hoort en geen nieuw vak is, zoals informatievaardigheden of digitale geletterdheid, zoals gedefinieerd door de KNAW.  Bovengenoemde fasen komen overeen met wat in Engelstalig onderzoek Online Reading Comprehension wordt genoemd of de laatste jaren steeds vaker wel New Literacies ( Leu, 2013; OECD, 2011 ), en ook met de fasen die worden gehanteerd in de publikaties over informatievaardigheden.
Binnen online geletterdheid horen dan Online Tekstbegrip ( het begrijpen van online informatie) en Online Schrijfvaardigheid ( het communiceren via internet en digitale tools).

Ik gebruik de term online en niet digitaal. Het feit dat een tekst digitaal is niet zo belangrijk. Als een artikel integraal als PDF online wordt gezet is het niet veel anders dan de papieren variant en zijn de vaardigheden die je daarvoor nodig hebt ook vrijwel hetzelfde. Dit geldt ook voor e-boeken, meestal een exacte digitale kopie van een papieren boek. Wat ervoor zorgt dat online geletterdheid anders is, en dus een uitbreiding van het traditionele definitie van geletterdheid en tekstbegrip is dat veel online teksten helemaal niet lijken op papieren teksten. Het zijn nieuwe tekstsoorten met hun eigen, afwijkende kenmerken ( zie ook artikel in Levende Talen te verschijnen in het april/ meinummer). Voor die nieuwe tekstsoorten zijn nieuwe vaardigheden nodig. En die nieuwe vaardigheden vragen innovatie van het huidige onderwijs.

Ik hoop dat door iets preciezer te zijn met terminologie de discussie over wat we moeten doen makkelijker zal verlopen. We kunnen het dan sneller hebben om waar het om gaat, nieuwe vormen van taalvaardigheid onderwijzen. Daar hebben leerlingen in de huidige digitale netwerkmaatschappij recht op.

Brand-Gruwel, S., & Walhout, J. (2010). Informatievaardigheden voor leraren. Open Universiteit.
KNAW. (2012). Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs (pp. 1–44). Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Leu, D. J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In N. J. Unrau, N. Unrau, D. Alvermann, & R. B. Ruddell (Eds.), Theoretical Models and Processes of Reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association. doi:10.1598/0710.42
OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing. doi:10.1787/9789264112995-en