Update Lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ Onlinegeletterdheid en Onderwijs2032 bij Nederlands

nonc-theo-fotos_26499174970_o

UPDATE Paul Schnabel, de voorzitter van de commissie onderwijs2032 geeft ons een compliment.
“.. een mooi plan, al is uw eigen voorbeeld natuurlijk wel meteen zeer jaloersmakend. Op het gymnasium ben ik zelf – meer dan 50 jaar geleden – ook de sporen van mijn eigen familie in de archieven gaan zoeken en een jaar of tien geleden heb ik over mijn grootvader bij gelegenheid van het afscheid van de toenmalige directeur van het Nationaal Archief een verhaal geschreven. Ik steun uw plan dus van harte en het past ook zeker bij de ideeën van Platform Onderwijs 2032 ( al is het ook weer niet zo specifiek dat het alleen daarbij zou passen, zie mijn eigen activiteit tijdens het pre-Mammoetonderwijs). Met vriendelijke groet, Paul Schnabel”

 “Iedereen heeft ze: opmerkelijke, interessante, geheimzinnige, bewonderenswaardige, rare, maar ook beruchte en omstreden familieleden. Ook jij. Sommigen ken je, of heb je gekend. Maar wat weet je eigenlijk van bloedverwanten die al lang geleden zijn overleden? Van sommigen heb je wellicht nog nooit gehoord, laat staan dat je de bijzondere belevenissen uit hun leven kent. In de lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ wek je niet alleen een vergeten dode uit jouw eigen familiegeschiedenis weer tot leven. Je vertelt ook zijn of haar verhaal, in de vorm van een geschreven meesterproef. De beoordeling telt mee als cijfer voor het vak Nederlands.”  (deel van lesmateriaal voor de leerling)

Ik ben twee weken geleden begonnen met een lang project in VWO4, doorlopend tot februari 2017, wanneer de klas dus VWO 5 is geworden. Een tijdje geleden werd ik benaderd door Ferdi Schrooten, schrijver en zelfstandig (onderzoeks)journalist met twee decennia ervaring bij tv, print en online media in binnen- en buitenland. Hij is auteur van het non-fictieboek ‘Nonk Theo en de mijnen’. Hij wilde met me praten omdat hij een avontuurlijk onderzoek had gedaan naar een onduidelijke oom, Nonk Theo, die in de jaren ’50 was geëmigreerd naar Australië en daar rijk wilde worden met goud zoeken. Hij wist dat ik veel bezig was met onlinegeletterdheid en altijd geïnteresseerd ben in betekenisvol en uitdagend onderwijs. Hij zag veel aanknopingspunten van zijn onderzoek en mijn werk rond onlinegeletterdheid en uitdagend onderwijs voor nu. Het gesprek was heel interessant en we hebben inmiddels samen een lesmodule gemaakt waarin leerlingen zelf op zoek gaan naar interessante familieleden van lang geleden. In dit project wordt een groot beroep gedaan op de vaardigheden in onlinegeletterdheid van de leerlingen. Zoals bekend ben ik, naast lesgeven, bezig met onderzoek naar onlinegeletterdheid en het ontwikkelen van lesmateriaal samen met leraren en geef ik workshops en ondersteuning hierin. En nieuwe dingen uitproberen in je eigen klas is natuurlijk het meest leerzaam en zorgt er ook voor dat ik echte voorbeelden kan geven als ik met andere leraren werk. Ook ben ik altijd in voor voor leerlingen en mij uitdagende lesideeën. We hebben er allemaal veel zin in: Ferdi en ik, de leerlingen en de schoolleiding. Ik voer het eerst als een pilotproject uit, om te kijken wat goed gaat en wat beter kan. Daarna willen collega’s ook al mee doen. Misschien jij ook? Ik zal geregeld op mijn blog berichten hoe het verloopt.

Dit project past goed in recente ontwikkelingen in het denken, ook van de overheid, over onderwijsvernieuwingen. Zoals ik al in een eerder blogbericht schreef is de context voor het implementeren van onlinegeletterdheid bij Nederlands, en bij de andere vakken, beter geworden. ‘Verborgen Familieverleden’ is een voorbeeld van ‘betekenisvol onderwijs op maat’, zoals gepropageerd in de toekomstagenda ‘Ons onderwijs2032, onlangs gepubliceerd door Platform Onderwijs2032 onder leiding van Paul Schnabel. Binnen de lesmodule worden kennis en vaardigheden ontwikkeld door creativiteit en nieuwsgierigheid van de leerling aan te wakkeren en in te zetten. Motivatie komt voort uit leren aan de hand van ‘het echte leven’, nauw aansluitend bij het eigen ik en de eigen familie. Tevens draagt de lesmodule bij aan persoonsvorming en identiteitsontwikkeling van leerlingen, belangrijke pijlers onder het ‘toekomstgericht leren’. In al haar samenhang draagt de lesmodule bij aan Bildung, ontwikkeling en ontplooiing van leerlingen tot zelfstandige volwassenen die – om met een term uit ‘Ons onderwijs 2032’ te spreken – ‘vaardig, waardig en aardig’ zijn.

Hieronder wat meer informatie, geschreven door Ferdi Schrooten.
‘Verborgen familieverleden’ is een vernieuwend lesprogramma voor het voortgezet onderwijs. Deelnemende leerlingen halen informatie boven water over een lang geleden overleden familielid dat om wat voor reden dan ook de nieuwsgierigheid wekt. Er moet niet al te veel bekend zijn over het familielid; er moet nog wat te speuren en ontdekken zijn. Het onderzoek kan via alle denkbare bronnen: levend, papier, digitaal, online en offline. Denk daarbij onder meer aan interviews, (online) databanken en archieven. Op basis van gevonden en gewogen informatie schrijven de leerlingen uiteindelijk een meesterproef, in het Nederlands, voor het vak Nederlands. Andere vakken, zoals Geschiedenis, Maatschappijleer en CKV, kunnen bij het lesprogramma aansluiten. Dat maakt de lesmodule vakoverstijgend.
De lesmodule telt, verspreid over een aantal maanden, diverse lessen voor instructie, planning en begeleiding. Als start en als bron van inspiratie verdiepen de leerlingen zich in het boek ‘Nonk Theo en de mijnen’, van journalist en schrijver Ferdi Schrooten, een van de ontwikkelaars en begeleiders van deze lesmodule. Zijn boek beschrijft de bij tijd en wijlen gekmakende zoektocht naar sporen van een dode oom, die in Australië een even avontuurlijk als tragisch bestaan kende als pionier, kangoeroejager, geluk- en goudzoeker. In zekere zin gaan de leerlingen binnen de lesmodule op zoek naar hun eigen – ‘Nonk Theo’, maar dan in miniatuur en in hun eigen familie. De uitkomst is compleet ongewis. Dat maakt het proces spannend. Tegelijkertijd raakt het de leerlingen persoonlijk: ze wekken een bloedverwant tot leven.

 

 

Onlinegeletterdheid in het curriculum: positieve ontwikkelingen

eindrapport_onderwijs2032_download
Als je  vind dat onlinegeletterdheid veel meer aandacht zou moeten krijgen in het onderwijs, is er een aantal politieke ontwikkelingen die positief te duiden zijn.

1. Politieke ontwikkelingen: hoogste niveau, OCW
Ten eerste is het eindadvies onderwijs2032 gepubliceerd. Dat gaat over het hele onderwijs en daar zijn veel verschillende meningen over. OC&W ziet vooral de positieve reacties, maar in de media zien we ook veel kritische reacties, bijvoorbeeld  ‘Jan Kuitenbrouwer in de NRC Verbijsterend, hoe die Schnabel met clichés strooit.
Maar we zien wel dat onlinegeletterdheid nu wel in beeld komt als een belangrijk onderdeel van het onderwijs. In het eindraport staat bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 over de visie op toekomstbestendig (sic) onderwijs: “de leerling leert de kansen van de digitale wereld te benutten” en hij leert “hoe je digitale informatie kunt duiden en verwerken en hoe je omgaat met (digitale) media en beelden”. Dit valt samen met wat wij definiëren als onlinegeletterdheid. Dat onlinegeletterdheid expliciet wordt onderkend als belangrijk leerdoel helpt.

2. Politieke ontwikkelingen: tweede niveau: SLO. Het nieuwe curriculum
Een tweede positieve intwikkeling is dat de SLO in opdracht van het Ministerie van OCW en in het kader van Onderwijs 2032 in 2015 een vooronderzoek heeft uitgevoerd ten behoeve van een herijking en mogelijke aanpassing van het beoogde curriculum Nederlands. Er is een literatuuronderzoek uitgevoerd, er is een discussiebijeekomst geweest en een aantal experts zijn geraadpleegd, waar ik er een van ben. Download hier de publicatie Herziening Leerplankader Nederlands VO van SLO. Er worden veel manco’s geconstateerd, en een van de aanbevelingen is om meer onderzoek te doen naar nieuwe ontwikkelingen, “zoals online geletterdheid, aandacht voor gamen, hyperteksten, mixed media, maar geen nieuwe domeinen ontwikkelen zoals digitale vaardigheden bijvoorbeeld”. Dit sluit aan bij onze visie op het implementeren van onlinegeletterdheid, namelijk een noodzakelijke uitbreiding van geletterdheid, maar geïntegreerd en niet apart. Als onlinegeletterdheid expliciet onderdeel gaat uitmaken van de eindtermen, zorgt dit ervoor dat het ook in leermateriaal en het curriculum terecht komt.

Bottum-up: zelf aan de slag
Beide politieke ontwikkelingen zijn toe te juichen, maar geven nog geen oplossing op korte termijn. Daarvoor moeten de scholen, de leraren en de lerarenopleidingen aan de slag. Nadenken en zelf ontwikkelen. Daar zijn wij samen mee bezig: wat willen we met onlinegeletterdheid, wat doen we al, wat willen we ontwikkelen, met wie en wat hebben we daarvoor nodig? Kom ook naar de HSN conferentie en praat mee.

De toekomst: Curriculumontwikkelingen: zo kan het.
In de afgelopen 5 jaar zijn sommige landen serieus gaan nadenken over onlineletterdheid in het curriculum ). Vrij ver uitgewekt is de Common Core State Standards (CCSS) Initiative in Amerika. Dit zijn veplichte eindtermen voor alle vakken. In de CCSS worden nieuwe eindtermen vastgesteld waarbij onlinegeletterdheid (door Leu online research and comprehension genoemd) expliciet aandacht krijgt. Twee zaken zijn van belang “
1. An emphasis on higher   level thinking during reading and writing instruction;
2. A focus on acquiring skills in the new, digital literacies of online research and comprehension”. Voorbeelden van deze eindtermen zijn (R= Reading en W= Writing) : ”
AS-R 7. Integrate and evaluate content presented in diverse media and formats, including visually and quantitatively, as well as in words.
AS-W 8. Gather relevant information from multiple print and digital sources, assess the credibility and accuracy of each source, and integrate the information while avoiding plagiarism.”  Leu, D. J., Zawilinski, L., Forzani, E., & Timbrell, N. (2011). Best Practices in Teaching the New Literacies of Online Research and Comprehension. In L. M. Morrow & L. B. Gambrell (Eds.), Best Practices in Literacy Instruction (4 ed.). New York: Guilford Press. 
Vergelijkbare eindtermen worden bij alle vakken toegevoegd. Er is dus veel aandacht aan onlinegeletterdheid, maar het wordt ook geintegreerd aangepakt. Er is al een soort gedwongen taalbeleid op dit gebied. Dit is een mooie inspiratie voor Nederland. 
Als je dit uitgebreide artikel/ hoofdstuk van Leu e.a. zou willen lezen, neem contact op, dan stuur ik het.

Beide politieke ontwikkelingen zijn toe te juichen, maar geven nog geen oplossing op korte termijn. Daarvoor moeten de scholen, de leraren en de lerarenopleidinmgne aan de slag, goed nadenken over de vragen wat willen we met onlinegeletterdheid, wat doen we al, wat willen we ontwikkleen, en wat hebben we daarvoor nodig en aan de slag. . Daar zijn wij samen mee bezig en er komt steeds meer belangstelling voor.

HSN conferentie nr. 30 Gent 18 en 19 november Call for papers en meer

Screenshot 2016-01-25 21.56.17
HSN-30 (18 en 19 november in Gent) beoogt alle leeromgevingen aan bod te laten komen waarin Nederlands geleerd wordt: basisschool, secundair onderwijs/voortgezet onderwijs op alle niveaus (vwo, havo, (v)mbo, resp. aso, bso, kso, tso), hogeschool/universiteit en lerarenopleidingen. Naar verwachting staat er weer een tachtigtal presentaties/workshops en andere activiteiten op het programma. Meer informatie vind je op de site van de HSN.
Hierbij roepen de organisatoren in Vlaanderen en Nederland docenten, didactici en anderen op om zich als spreker/workshopleider te melden met een inhoudelijk voorstel. Ik ben kolomleider van de kolom Innovatie, samen met Jordi Casteleyn uit Vlaanderen.
Er wordt vooral belang gehecht aan praktijkgerichtheid en aan het vernieuwende karakter van de presentatie. Voor ervaringen uit eigen onderwijspraktijk en bevindingen uit kleinschalig onderzoek bestaat veel belangstelling.Gedacht wordt aan programmakolommen die gericht zijn op onderwijstypen (bv. basis-, hoger onderwijs, mbo) en aan themakolommen als:

  • literatuuronderwijs;
  • leesbevordering;
  • innovatie, w.o. nieuwe media;
  • taalbeschouwing;
  • taalvaardigheid secundair/voortgezet onderwijs;
  • taal- en letterkunde

Deze opsomming is niet uitputtend en wordt nog aangepast. Houdt u er rekening mee dat een presentatie gewoonlijk 50 minuten (idealiter 30 min. + 20 min. discussie) duurt. Er is ruimte voor enkele workshops die tweemaal zo veel tijd in beslag nemen. Of uw voorstel wordt overgenomen door de programmacommissie is van een aantal factoren afhankelijk.
Wilt u graag iets presenteren? Maak dan van het onderstaande een formulier en stuur dit uiterlijk 25 maart 2016  naar: andre.mottart@ugent.be Als je in de kolom Innovatie zou willen presenteren, en je wilt nog wat overleg of feedback met / van de kolomleiders neem dan contact op met mij jeroencl[at]gmail.com of Jordi Casteleyn jordi.casteleyn@uantwerpen.be

Naam:
E-mail:                                                                    Telefoon: 0031/0032

Organisatie/instelling:

Doelgroep van uw presentatie (bijv. basisonderwijs, …):

In welke themakolom (zie Call) zou u uw presentatie geprogrammeerd willen zien?

Voorlopige titel en inhoud presentatie (ong.10 regels):

HSN29 Conferentie Onderwijs Nederlands 2015 Oproep voor bijdragen

Screenshot 2015-02-14 12.25.55

Op vrijdag/zaterdag 13 en 14 november 2015 organiseert de Stichting HSN weer i.s.m. de Nederlandse Taalunie de inmiddels 29ste HSN conferentie, Conferentie Onderwijs Nederlands, deze keer in Tilburg. De eerste informatie staat online op de website van HSN en zal regelmatig worden geüpdatet. Zie voor inspiratie mijn blog over HSN28, nov. 2014 in Brugge.

Oproep voor bijdragen
Ik nodig iedereen uit die zich bezig houdt met het schoolvak Nederlands om een voorstel in te dienen voor een workshop of presentatie. Ook dit jaar zal ik, weer samen met Jordi Casteleyn uit Vlaanderen, verantwoordelijk zijn voor de kolom ‘Onderwijsinnovatie’.
Wil je graag iets presenteren? Stuur dan dit formulier uiterlijk 15 maart naar hsnconferentie@yahoo.com. Als je denkt dat je voorstel geschikt is voor de kolom Onderwijsinnovatie, graag ook een kopie naar mij. Zie hieronder meer details.

HSN-29 (13 en 14 november in Tilburg) beoogt alle leeromgevingen aan bod te laten komen waarin Nederlands geleerd wordt: basisschool; secundair onderwijs/voortgezet onderwijs: alle niveaus (vwo, havo, (v)mbo, resp. aso, bso, kso, tso); hogeschool/universiteit en lerarenopleidingen.

Naar verwachting staan er weer een tachtigtal presentaties/workshops en andere activiteiten op het programma.
Hierbij roepen de organisatoren in Vlaanderen en Nederland docenten, didactici en anderen op om zich als spreker/workshopleider te melden met een inhoudelijk voorstel. Er wordt vooral belang gehecht aan praktijkgerichtheid en aan het vernieuwende karakter van de presentatie. Voor ervaringen uit eigen onderwijspraktijk en bevindingen uit kleinschalig onderzoek bestaat veel belangstelling. Gedacht wordt aan programmakolommen die gericht zijn op onderwijstypen (bv. basis-, hoger onderwijs, mbo) en aan themakolommen als:

  • literatuuronderwijs;
  • taalbeleid en -screening;
  • Innovatie, w.o. nieuwe media;
  • taalbeschouwing;
  • spreek-, luister-, lees- en schrijfvaardigheid;
  • zorgleerlingen.

Deze opsomming is niet uitputtend en wordt nog aangepast.

Houdt u er rekening mee dat een presentatie 50 minuten (idealiter 30 min. + 20 min. discussie) duurt. Er is ruimte voor enkele workshops die tweemaal zo veel tijd in beslag nemen. Of uw voorstel wordt overgenomen door de programmacommissie is van een aantal factoren afhankelijk.

Onlinegeletterdheid: weten waar we over praten

Deze post verschijnt ook op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs
Nieuwe vormen van communicatie online vragen een nieuwe vorm van geletterdheid. Over de vraag wat dat precies is, vindt een hevige discussie plaats. We weten al genoeg om te kunnen constateren dat het gebruiken van informatie online nieuwe vaardigheden vraagt, dat leerlingen hier niet altijd goed in zijn en dat er nieuwe didactiek en materiaal nodig is om in het onderwijs hier aandacht aan te kunnen besteden. Dit is onderwerp van mijn promotieonderzoek.
Ik krijg vanwege mijn onderzoek naar online tekstbegrip regelmatig scholen aan de lijn die willen praten over hoe zij aandacht zouden kunnen besteden aan het begrijpen en gebruiken van online informatie. Ook anderen willen hierover in gesprek (CITO, lerarenopleidingen, uitgevers etc). De ‘sense of urgency’begint te komen, het is hot.
In de gesprekken zie ik dat er veel verwarring is. Een belangrijke reden daarvoor is dat er een Babylonische spraakverwarring is rond werken met internet en online informatie.  Hier sprak ik al over in oktober 2011 (!)  “Come, let us go down and confound their speech”. Maar het is de afgelopen jaren niet beter geworden. Een onduidelijke terminologie zit innovatie van onderwijs in de weg, is mijn stellige overtuiging. Ik praat vooral met talendocenten. Ik ben er zelf ook een.

Een van de beletselen om als (talen)docent na te denken over een uitbreiden van het curriculum is de onduidelijke definitie en verwarrende terminologiie. Het gaat om termen als: 21st century skills, digitale geletterdheid, ict-vaardigheden, mediavaardigheden en –wijsheid, informatievaardigheden, online tekstbegrip, het nieuwe lezen en nog veel meer. In de Engelstalige literatuur wordt de term literacy (geletterdheid) veel gebruikt, maar die term is verworden tot een synoniem van vaardigheid en dus slecht bruikbaar geworden (Belshaw, 2011). Een rapport van de KNAW (KNAW, 2012) heeft als titel Digitale Geletterdheid, maar die term wordt daar gebruikt als synoniem voor ICT-vaardigheid, waar docenten informatica mee aan de slag kunnen. De term Informatievaardigheden wordt ook veel gebruikt (Brand-Gruwel, S., & Walhout, J., 2010).

Ik pleit voor de termen onlinegeletterdheid en online tekstbegrip. Ik leg uit waarom. In gesprekken met (talen)docenten probeer ik consequent te blijven in mijn terminologie en aan te sluiten bij termen waar zij aan gewend zijn. In het talenonderwijs is de term geletterdheid bekend en dit is opgenomen in domeinen van het vak. Deze term omvat drie competenties: Lezen, Schrijven en Literaire competentie. Ik wil mij hier richten op de taalvaardigheidscomponenten, dus lezen en schrijven. Geletterdheid is een psycholinguistisch proces dat verschillende fasen omvat. Talendocenten hanteren als zij hierover praten meestal de hoofdfasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken. Binnen deze fasen worden verschillende vormen van taalkennis, taalvaardigheden en -strategieën opgenomen. In de eerste twee fasen gaat het vooral over leesvaardigheid / tekstbegrip en de laatste fase betreft online schrijven, met onderliggende taalkennis, deelvaardigheden en strategieën.

Het lezen en schrijven vindt tegenwoordig vooral via internet plaats, online dus. Voor het goed kunnen lezen en schrijven online wil ik dan ook de term onlinegeletterdheid hanteren, het (kunnen) lezen en schrijven online. Simple as that. Dit betekent een uitbreiding van de term en het domein dat wordt gehanteerd in talenonderwijs. Het is ook een duidelijk standpunt dat online geletterdheid bij talenonderwijs hoort en geen nieuw vak is, zoals informatievaardigheden of digitale geletterdheid, zoals gedefinieerd door de KNAW.  Bovengenoemde fasen komen overeen met wat in Engelstalig onderzoek Online Reading Comprehension wordt genoemd of de laatste jaren steeds vaker wel New Literacies ( Leu, 2013; OECD, 2011 ), en ook met de fasen die worden gehanteerd in de publikaties over informatievaardigheden.
Binnen online geletterdheid horen dan Online Tekstbegrip ( het begrijpen van online informatie) en Online Schrijfvaardigheid ( het communiceren via internet en digitale tools).

Ik gebruik de term online en niet digitaal. Het feit dat een tekst digitaal is niet zo belangrijk. Als een artikel integraal als PDF online wordt gezet is het niet veel anders dan de papieren variant en zijn de vaardigheden die je daarvoor nodig hebt ook vrijwel hetzelfde. Dit geldt ook voor e-boeken, meestal een exacte digitale kopie van een papieren boek. Wat ervoor zorgt dat online geletterdheid anders is, en dus een uitbreiding van het traditionele definitie van geletterdheid en tekstbegrip is dat veel online teksten helemaal niet lijken op papieren teksten. Het zijn nieuwe tekstsoorten met hun eigen, afwijkende kenmerken ( zie ook artikel in Levende Talen te verschijnen in het april/ meinummer). Voor die nieuwe tekstsoorten zijn nieuwe vaardigheden nodig. En die nieuwe vaardigheden vragen innovatie van het huidige onderwijs.

Ik hoop dat door iets preciezer te zijn met terminologie de discussie over wat we moeten doen makkelijker zal verlopen. We kunnen het dan sneller hebben om waar het om gaat, nieuwe vormen van taalvaardigheid onderwijzen. Daar hebben leerlingen in de huidige digitale netwerkmaatschappij recht op.

Brand-Gruwel, S., & Walhout, J. (2010). Informatievaardigheden voor leraren. Open Universiteit.
KNAW. (2012). Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs (pp. 1–44). Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Leu, D. J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In N. J. Unrau, N. Unrau, D. Alvermann, & R. B. Ruddell (Eds.), Theoretical Models and Processes of Reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association. doi:10.1598/0710.42
OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing. doi:10.1787/9789264112995-en

Call for Papers – 28ste HSN-conferentie 14-15 november 2014 Brugge Deadline 15 maart

De 28ste HSN-conferentie 14-15 november 2014 Brugge
De HSN-conferenties zijn het resultaat van nauwe samenwerking van alle Nederlandse en Vlaamse  verenigingen van leraren/docenten en didactici Nederlands. Bovendien kunnen ze rekenen op de steun van o.a. de Nederlandse Taalunie en de Stichting Lezen Nederland. De conferenties zijn uitgegroeid tot een onmisbaar forum voor al wie zich bij de ontwikkelingen in het onderwijs Nederlands betrokken voelen.
Hierbij roepen de organisatoren in Vlaanderen en Nederland leraren/docenten/lectoren en didactici op om zich als spreker/workshopleider te melden. Uiterste datum voor aanmelding: 15 maart 2014 Er wordt vooral belang gehecht aan praktijkgerichtheid en aan het vernieuwende karakter van de presentatie. Voor ervaringen uit eigen onderwijspraktijk en bevindingen uit kleinschalig onderzoek bestaat veel belangstelling. Gedacht wordt aan themakolommen zoals: nieuwe media; evaluatie; literatuuronderwijs; onderwijs Nederlands in een meertalige context; onderwijsinnovatie;  taalbeleid  en taalscreening; taalbeschouwing; taal- en letterkunde;  taalvaardigheid (spreek-, luister-, lees- en schrijfvaardigheid); zorgleerlingen.
Wilt u graag iets presenteren? Meld u zich dan aan via de de HSN-site  Daar staat ook het programma en vindt u verdere details.
HSN-28 beoogt alle leeromgevingen aan bod te laten komen waarin Nederlands geleerd wordt:
– basisschool;
– secundair onderwijs/voortgezet onderwijs: alle niveaus (aso, bso, kso, tso, /vwo, havo, mbo);
– hogeschool/universiteit;
– lerarenopleidingen.
Naar verwachting staan er weer een tachtigtal presentaties/workshops en andere activiteiten op het programma.