Curriculum.nu: Digitale geletterdheid en Nederlands

Vandaag is de laatste dag om feedback te geven op de eerste concepten van de ontwikkelteams van curriculum.nu. Als een just-in-time-werker heb ik net mijn feedback opgestuurd op de voorstellen van Nederlands en Digitale geletterdheid (Klik op de namen voor lezen/ downloaden van mijn feedback). Ik ben benieuwd wat je ervan vindt. Wat ik moeilijk vond is de beperking van 200 woorden per vraag. Maar dat was ook een uitdaging.
Ik ben vrij positief over het voorstel van Digitale geletterdheid. Blij ben ik met de uitspraak ” Idealiter krijgt het leergebied digitale geletterdheid een plek binnen de andere leergebieden. Zoals digitale technologie verweven is in alle sectoren van de maatschappij en in het leven van mensen, raakt digitale geletterdheid verweven met de andere leergebieden. Deze bieden de context waarbinnen leerlingen werken aan hun digitale geletterdheid.”. Ik was bang dat, omdat het een aparte ontwikkelgroep was, er gedacht zou worden aan een nieuw vak, maar dat is gelukkig niet zo. En ik ben blij dat zij ook vinden dat je veel vaardigheden en strategieën moet leren binnen een inhoudelijk kader, dus niet los. Dat is een doodlopende weg, waar we al teveel in zitten.
Geen verrassing is dat ik bij beide voorstellen de samenhang van digitale geletterdheid en Nederlands heb benadrukt. Dit is bij de ontwikkelgroep Digitale geletterdheid nog wel een beetje in beeld, maar bij Nederlands veel minder.
Het voorstel Nederlands vond ik toch wel heel algemeen geformuleerd. Hierom kan ik een aantal vragen niet goed beantwoorden, omdat het nog te vaag en algemeen is. Goed is dat het vak wel duidelijk aan de wereld buiten de school wordt gekoppeld, maar het gevaar is dat het onderwijs niet erg veel verandert zo. En hier heb ik toch sterk de uitbreiding van de definitie -en daarmee het curriculum- van geletterdheid in deze digitale wereld benadrukt. Deze uitbreiding moet in deze digitale tijd, wil Nederlands relevant blijven. Ook zou hierdoor de samenhang met andere vakken, en dus een moderne vorm van taalbeleid, veel makkelijker gemaakt worden. Hier is nog veel werk te doen.

Update Lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ Onlinegeletterdheid en Onderwijs2032 bij Nederlands

nonc-theo-fotos_26499174970_o

UPDATE Paul Schnabel, de voorzitter van de commissie onderwijs2032 geeft ons een compliment.
“.. een mooi plan, al is uw eigen voorbeeld natuurlijk wel meteen zeer jaloersmakend. Op het gymnasium ben ik zelf – meer dan 50 jaar geleden – ook de sporen van mijn eigen familie in de archieven gaan zoeken en een jaar of tien geleden heb ik over mijn grootvader bij gelegenheid van het afscheid van de toenmalige directeur van het Nationaal Archief een verhaal geschreven. Ik steun uw plan dus van harte en het past ook zeker bij de ideeën van Platform Onderwijs 2032 ( al is het ook weer niet zo specifiek dat het alleen daarbij zou passen, zie mijn eigen activiteit tijdens het pre-Mammoetonderwijs). Met vriendelijke groet, Paul Schnabel”

 “Iedereen heeft ze: opmerkelijke, interessante, geheimzinnige, bewonderenswaardige, rare, maar ook beruchte en omstreden familieleden. Ook jij. Sommigen ken je, of heb je gekend. Maar wat weet je eigenlijk van bloedverwanten die al lang geleden zijn overleden? Van sommigen heb je wellicht nog nooit gehoord, laat staan dat je de bijzondere belevenissen uit hun leven kent. In de lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ wek je niet alleen een vergeten dode uit jouw eigen familiegeschiedenis weer tot leven. Je vertelt ook zijn of haar verhaal, in de vorm van een geschreven meesterproef. De beoordeling telt mee als cijfer voor het vak Nederlands.”  (deel van lesmateriaal voor de leerling)

Ik ben twee weken geleden begonnen met een lang project in VWO4, doorlopend tot februari 2017, wanneer de klas dus VWO 5 is geworden. Een tijdje geleden werd ik benaderd door Ferdi Schrooten, schrijver en zelfstandig (onderzoeks)journalist met twee decennia ervaring bij tv, print en online media in binnen- en buitenland. Hij is auteur van het non-fictieboek ‘Nonk Theo en de mijnen’. Hij wilde met me praten omdat hij een avontuurlijk onderzoek had gedaan naar een onduidelijke oom, Nonk Theo, die in de jaren ’50 was geëmigreerd naar Australië en daar rijk wilde worden met goud zoeken. Hij wist dat ik veel bezig was met onlinegeletterdheid en altijd geïnteresseerd ben in betekenisvol en uitdagend onderwijs. Hij zag veel aanknopingspunten van zijn onderzoek en mijn werk rond onlinegeletterdheid en uitdagend onderwijs voor nu. Het gesprek was heel interessant en we hebben inmiddels samen een lesmodule gemaakt waarin leerlingen zelf op zoek gaan naar interessante familieleden van lang geleden. In dit project wordt een groot beroep gedaan op de vaardigheden in onlinegeletterdheid van de leerlingen. Zoals bekend ben ik, naast lesgeven, bezig met onderzoek naar onlinegeletterdheid en het ontwikkelen van lesmateriaal samen met leraren en geef ik workshops en ondersteuning hierin. En nieuwe dingen uitproberen in je eigen klas is natuurlijk het meest leerzaam en zorgt er ook voor dat ik echte voorbeelden kan geven als ik met andere leraren werk. Ook ben ik altijd in voor voor leerlingen en mij uitdagende lesideeën. We hebben er allemaal veel zin in: Ferdi en ik, de leerlingen en de schoolleiding. Ik voer het eerst als een pilotproject uit, om te kijken wat goed gaat en wat beter kan. Daarna willen collega’s ook al mee doen. Misschien jij ook? Ik zal geregeld op mijn blog berichten hoe het verloopt.

Dit project past goed in recente ontwikkelingen in het denken, ook van de overheid, over onderwijsvernieuwingen. Zoals ik al in een eerder blogbericht schreef is de context voor het implementeren van onlinegeletterdheid bij Nederlands, en bij de andere vakken, beter geworden. ‘Verborgen Familieverleden’ is een voorbeeld van ‘betekenisvol onderwijs op maat’, zoals gepropageerd in de toekomstagenda ‘Ons onderwijs2032, onlangs gepubliceerd door Platform Onderwijs2032 onder leiding van Paul Schnabel. Binnen de lesmodule worden kennis en vaardigheden ontwikkeld door creativiteit en nieuwsgierigheid van de leerling aan te wakkeren en in te zetten. Motivatie komt voort uit leren aan de hand van ‘het echte leven’, nauw aansluitend bij het eigen ik en de eigen familie. Tevens draagt de lesmodule bij aan persoonsvorming en identiteitsontwikkeling van leerlingen, belangrijke pijlers onder het ‘toekomstgericht leren’. In al haar samenhang draagt de lesmodule bij aan Bildung, ontwikkeling en ontplooiing van leerlingen tot zelfstandige volwassenen die – om met een term uit ‘Ons onderwijs 2032’ te spreken – ‘vaardig, waardig en aardig’ zijn.

Hieronder wat meer informatie, geschreven door Ferdi Schrooten.
‘Verborgen familieverleden’ is een vernieuwend lesprogramma voor het voortgezet onderwijs. Deelnemende leerlingen halen informatie boven water over een lang geleden overleden familielid dat om wat voor reden dan ook de nieuwsgierigheid wekt. Er moet niet al te veel bekend zijn over het familielid; er moet nog wat te speuren en ontdekken zijn. Het onderzoek kan via alle denkbare bronnen: levend, papier, digitaal, online en offline. Denk daarbij onder meer aan interviews, (online) databanken en archieven. Op basis van gevonden en gewogen informatie schrijven de leerlingen uiteindelijk een meesterproef, in het Nederlands, voor het vak Nederlands. Andere vakken, zoals Geschiedenis, Maatschappijleer en CKV, kunnen bij het lesprogramma aansluiten. Dat maakt de lesmodule vakoverstijgend.
De lesmodule telt, verspreid over een aantal maanden, diverse lessen voor instructie, planning en begeleiding. Als start en als bron van inspiratie verdiepen de leerlingen zich in het boek ‘Nonk Theo en de mijnen’, van journalist en schrijver Ferdi Schrooten, een van de ontwikkelaars en begeleiders van deze lesmodule. Zijn boek beschrijft de bij tijd en wijlen gekmakende zoektocht naar sporen van een dode oom, die in Australië een even avontuurlijk als tragisch bestaan kende als pionier, kangoeroejager, geluk- en goudzoeker. In zekere zin gaan de leerlingen binnen de lesmodule op zoek naar hun eigen – ‘Nonk Theo’, maar dan in miniatuur en in hun eigen familie. De uitkomst is compleet ongewis. Dat maakt het proces spannend. Tegelijkertijd raakt het de leerlingen persoonlijk: ze wekken een bloedverwant tot leven.

 

 

Onlinegeletterdheid: spraakverwarring vermijden en mijn keuze

p025kdt4Sinds een maand zit ik in de Commissie Mediawijsheid van de Raad voor Cultuur. De overwegingen om op de uitnodiging in te gaan heb ik al eerder opgeschreven. Het is een leuke club met mensen die op allerlei manieren te maken hebben met (nieuwe) media en met nieuwe kennis en vaardigheden die daarbij horen. Als je dichterbij zit zie je dat de de samenwerking tussen de O en de C van het ministerie OC&W soms nog wat te wensen over laat, maar een week geleden is besloten dat het advies van deze commissie sterker gaat aansluiten op het Eindadvies onderwijs2032, wat een wijs besluit is.

Maar in de gesprekken in de commissie zie je terugkomen waar ik al me eerder ernstige zorgen over maakte. Er is nog steeds een spraakverwarring als het om vaardigheden om te communiceren online en om digitale media gaat. Als we dit niet heel duidelijk definiëren en communiceren naar het veld vallen we in dezelfde valkuil als die we hebben gegraven door 21ste eeuwse vaardigheden te introduceren. Het is vaag, het omvat heel verschillende kennis en vaardigheden, het is soms oude wijn in nieuwe zakken. In onderwijs2032 vallen vier soorten vaardigheden onder het kopje Digitale Geletterdheid: (1)Basiskennis van ICT, (2)Informatievaardigheden, (3)Mediawijsheid en (4)computational thinking. Deze kennis en vaardigheden als aparte categorie genoemd, naast Taalvaardigheid Nederlands en Taalvaardigheid Engels. Dit is een denkfout, bij een groot gedeelte van deze vaardigheden gaat het om een uitbreiding van geletterdheid, een domein dat bij talenonderwijs van groot belang is, maar (nog) niet de digitale tekstsoorten en taalvaardigheden voor het begrijpen en gebruiken van nieuwe tekstsoorten op internet omvat. Zo gaat die integratie natuurlijk niet bevorderd worden. De vrees voor een nieuw vak Digitale geletterdheid steekt de kop op. We kennen het debacle van het nieuwe vak Studievaardigheden in de jaren ’90, waarvan we later moesten constateren dat het geen enkele transfer had voor leren bij de vakken.

En zo krijg je de leraar en de leraarsopleider niet in de innovatieve stand. Het vertraagt het implementeren van vernieuwingen is het onderwijs in mijn ervaring enorm. Als leraren denken dat het weer nieuwe dingen zijn, doen de meesten het af als ‘ niet mijn pakje an’. Daarom ben ik ingegaan op het verzoek van komenskypost.nl om een oude post op deze edublog opnieuw te mogen publiceren. Voor deze nieuwe publicatie heb ik dat stuk enigszins herschreven. Omdat ik het nog steeds een belangrijk discussiepunt vind, publiceer ik het hieronder ook hier. Ik ga ervan uit dat niet iedereen komensypost.nl leest. Recycle en remix is ook een moderne vaardigheid, waar ik nu mee oefen. Ik ben heel benieuwd naar reacties en debat.

<stuk op komenskypost.nl>
Het lezen en schrijven vindt tegenwoordig vooral via internet plaats, online dus. Op internet zijn inmiddels veel nieuwe tekstsoorten ontstaan, die sterk afwijken van de traditionele lineaire teksten op papier. Verschillen zijn: niet meer lineair, maar teksten en tekstdelen verbonden via hyperlinks, steeds veranderend, multimediaal, en vaak interactief in plaats van statisch(Clemens, 2014). Nieuwe vormen van communicatie online vragen een nieuwe vorm van geletterdheid met additionele vaardigheden (Coiro, 2011). Over de vraag wat dat precies is, vindt een hevige discussie plaats. We weten dat gebruiken van informatie online nieuwe vaardigheden vraagt, dat leerlingen hier niet altijd goed in zijn (OECD, 2011) en dat er nieuwe didactiek en materiaal nodig is om in het onderwijs hier aandacht aan te kunnen besteden (Leu, Zawilinski, Forzani, & Timbrell, 2011).
Ik krijg regelmatig leraren en scholen aan de lijn die willen praten over hoe zij aandacht zouden kunnen besteden aan het begrijpen en gebruiken van online informatie. Ook anderen willen hierover in gesprek (CITO, lerarenopleidingen, uitgevers). De ‘sense of urgency’ is er steeds meer en leraren Nederlands willen aan het werk, maar weten nog niet goed hoe.
In de gesprekken zie ik dat er veel verwarring is. Een belangrijke reden daarvoor is dat er een Babylonische spraakverwarring is rond werken met internet en online informatie.  Hier sprak ik al vijf jaar geleden al over  “Come, let us go down and confound their speech”. Maar het is de afgelopen jaren niet beter geworden. Een onduidelijke terminologie zit innovatie van onderwijs in de weg, is mijn stellige overtuiging.

Een van de beletselen om als (talen)docent na te denken over uitbreiden van het curriculum is de onduidelijke definitie en verwarrende terminologie. Het gaat om termen als: 21st century skills, digitale geletterdheid, ICT-vaardigheden, mediavaardigheden en –wijsheid, informatievaardigheden, online tekstbegrip, het nieuwe lezen en nog veel meer. In de Engelstalige literatuur wordt de term literacy (geletterdheid) veel gebruikt, maar die term is verworden tot een synoniem van vaardigheid en dus slecht bruikbaar geworden (Belshaw, 2011). Een rapport van de KNAW (KNAW, 2012) heeft als titel Digitale Geletterdheid, maar die term wordt daar gebruikt als synoniem voor ICT-vaardigheid, waar docenten informatica mee aan de slag kunnen. De term Informatievaardigheden wordt ook veel gebruikt (Brand-Gruwel, S., & Walhout, J., 2010). Deze termen gaan gedeeltelijk over verschillende zaken, maar overlappen ook sterk. En dit is schadelijk voor de bereidheid van leraren om hun eigen curriculum aan te pakken: “dit is niet mijn pakkie an”.

In gesprekken met (talen)docenten probeer ik consequent te blijven in mijn terminologie en aan te sluiten bij termen waar zij aan gewend zijn. In het talenonderwijs is de term geletterdheid bekend en die is opgenomen in de eindtermen. De term geletterdheid omvat in het Nederlands drie competenties: Lezen, Schrijven en Literaire competentie. Ik richt mij in mijn onderzoek en ondersteuning van leraren en scholen met name op de component lezen. Geletterdheid is een psycholinguïstisch proces dat verschillende fasen omvat. Talendocenten hanteren meestal de hoofdfasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken. Binnen deze fasen is de beheersing van  verschillende vormen van taalkennis, taalvaardigheden en -strategieën nodig. In de eerste twee fasen gaat het vooral over leesvaardigheid/ tekstbegrip en de laatste fase betreft online schrijven, met onderliggende taalkennis, deelvaardigheden en strategieën.

Voor lezen en schrijven online hanteer ik dan ook consequent de term onlinegeletterdheid, het (kunnen) lezen en schrijven online. Simple as that. Dit betekent een uitbreiding van de definitie van het domein dat wordt gebruikt in talenonderwijs. Het is ook een duidelijk standpunt dat online geletterdheid een uitbreiding is van de vaardigheid geletterdheid in het reguliere (talen)onderwijs en geen nieuw vak, zoals informatievaardigheden of digitale geletterdheid. Het hoort bij je vak. Deze term komt overeen met wat in Engelstalig onderzoek Online Reading Comprehension wordt genoemd of de laatste jaren steeds vaker wel New Literacies ( Leu, 2013; OECD, 2011 ), en sluit ook aan bij het onderzoek naar informatievaardigheden. Maar het is meer dan dat.
Ik gebruik de term online en niet digitaal. Het feit dat een tekst digitaal is, is niet zo belangrijk. Als een artikel integraal als PDF online wordt gezet is het niet veel anders dan de papieren variant en zijn de vaardigheden die je daarvoor nodig hebt ook vrijwel hetzelfde. Dit geldt ook voor e-boeken, meestal een exacte digitale kopie van een papieren boek. Wat ervoor zorgt dat online geletterdheid anders is, en dus een uitbreiding van het traditionele definitie van geletterdheid en tekstbegrip is dat veel online teksten helemaal niet lijken op papieren teksten. Het zijn nieuwe tekstsoorten met hun eigen, afwijkende kenmerken Voor die nieuwe tekstsoorten zijn nieuwe vaardigheden nodig. En die nieuwe vaardigheden vragen innovatie van het huidige onderwijs.

Het is zeker ook waar dat er ook andere kennis en vaardigheden nodig zijn om goed te kunnen participeren in de digitale maatschappij. Dat betekent dat we nog preciezer moeten zijn in het gebruik van de terminologie. Mediawijsheid heeft aspecten die niet samenvallen met onlinegeletterdheid, bijvoorbeeld het sociale gedrag online en ICT-vaardigheden ook, bijvoorbeeld kunnen programmeren. Laten we proberen heel zuiver te omschrijven waar we het over hebben en aansluiten bij termen die de leraar begrijpt. Dat levert mijns inziens betere resultaten op. Veranderen is moeilijk en laten we zorgen dat de kans daarop zo groot mogelijk is.

Ik hoop dat door iets preciezer te zijn met terminologie de discussie over wat we moeten doen makkelijker zal verlopen. En laten we wel goed samenwerken. We kunnen het dan sneller hebben om waar het om gaat, i.c. nieuwe vormen van taalvaardigheid onderwijzen. Daar hebben leerlingen in de huidige digitale netwerkmaatschappij recht op.

Literatuur

Brand-Gruwel, S., & Walhout, J. (2010). Informatievaardigheden voor leraren. Open Universiteit.

Clemens, J. (2014). Online tekstbegrip en online geletterdheid. Het nieuwe lezen, anders bekeken. Levende Talen Magazine(mei 2014).

Coiro, J. (2011). Predicting Reading Comprehension on the Internet: Contributions of Offline Reading Skills, Online Reading Skills, and Prior Knowledge. Journal of Literacy Research43(4), 352–392. http://doi.org/10.1177/1086296X11421979

KNAW. (2012). Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs (pp. 1–44). Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Leu, D. J., Zawilinski, L., Forzani, E., & Timbrell, N. (2011). Best Practices in Teaching the New Literacies of Online Research and Comprehension. In L. M. Morrow & L. B. Gambrell (Eds.), Best Practices in Literacy Instruction (4 ed.). New York: Guilford Press.

Leu, D. J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In N. J. Unrau, N. Unrau, D. Alvermann, & R. B. Ruddell (Eds.), Theoretical Models and Processes of Reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association. doi:10.1598/0710.42

OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line: Digital technologies and Performance (Volume VI) (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing. Retrieved from http://dx.doi.org/10.1787/9789264112995-en

Luister de Podcast. Mijn ideeën over onlinegeletterdheid en onderwijsinnovatie.

Schermafdruk 2016-05-20 11.53.36
Don Zuiderman “In mijn 31e podcast spreek ik met Jeroen Clemens, leraar Nederlands aan het Helen Parkhurst College in Almere. Jeroen is nu vijf jaar bezig met onderzoek naar onlinegeletterdheid. Samen praten we onder andere over hoe het vak Nederlands zich zou moeten ontwikkelen om recht te doen aan het soort teksten waarmee jongeren tegenwoordig te maken krijgen.”.
We hebben ook gesproken over de verschillende strategieën voor onderwijsinnovatie en de stroperige situatie bij zowel scholen als de overheid.
Klik op de titel van dit blogbericht voor embedded Podcast

Lidmaatschap Commissie Mediawijsheid van de Raad van Cultuur. Een beslissing.

Schermafdruk 2016-05-08 17.48.17Vanaf 1 mei 2016 ben ik lid van de commissie Mediawijsheid van de Raad voor Cultuur.
De laatste tijd is er veel discussie over de te geringe invloed die leraren hebben op de ontwikkelingen in het onderwijs. En dat gevoel deel ik van harte. Maar als leraren gevraagd worden mee te denken met de overheid in officiële overheidsorganen, zie ik ook veel argwaan. René Kneyber heeft niet alleen maar lof gekregen, toen hij toetrad tot de onderwijsraad. Je zou de politieke achterkamertjes worden ingetrokken en je scherpte van denken verliezen. Het doet me denken aan de jaren ’70 waarin je, als je een oproep kreeg voor de dienstplicht, moest kiezen (1) je te laten afkeuren, (2) dienst te weigeren of (3) het leger in te gaan om ‘ het van binnenuit te veranderen’. Toen koos ik (1), nu voor (3). Waarom?Ik hou mij al een aantal jaren -naast mijn werk als leraar Nederlands- bezig met onlinegeletterdheid. Ik heb mij regelmatig uitgelaten over de babylonische spraakverwarring rond vaardigheden die te maken hadden met ons tegenwoordige leven online. En ik heb mij kritisch uitgelaten over de hele industrie die er is ontstaan rond Mediawijsheid, met coaches, afstudeerrichtingen en dergelijke en het gevaar dat het een nieuw vak gaat worden en leraren het niet meer herkennen als hun ‘core-business’. En ‘i’am to blame too’ met de introductie van de term onlinegeletterdheid, waarmee ik beter wil aansluiten bij het onderwijs in geletterdheid, met name door talenleraren. De laatste tijd ben ik pragmatischer, ik wil zorgen dat de leraren al deze nieuwerwetsheid niet meer zien als ‘niet van ons’, maar herkennen als deel van hun nieuwe curriculum. Ik ben tegenwoordig meer vriendjes met anderen, omdat ik vind dat er in het onderwijs meer structurele aandacht moet zijn voor vaardigheden en attitudes nodig om je staande te houden in de gedigitaliseerde samenleving en goed gebruik te kunnen maken van de nieuwe mogelijkheden die dit geeft.
In de uitleg van de Raad voor Cultuur staan een paar uitspraken die mij overhaalden: (1) “In 2005 heeft de raad het begrip mediawijsheid geïntroduceerd en er een advies over uitgebracht: Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap. (…) [Maar] De (media)technologie is de afgelopen tien jaar namelijk flink veranderd. Zo heeft digitalisering in veel facetten van ons leven ingegrepen, zijn opvattingen over het belang van cultuur in een digitale context veranderd en zijn mediaconsumptiepatronen gewijzigd.” Ik vind ook dat dit advies achterhaald is en we ons opnieuw moeten beraden. (2) “Het komende advies over mediawijsheid zal in het bijzonder ingaan op de kenmerken van een onderwijscultuur die rekening houdt met een gemedialiseerde samenleving en zal anderzijds ingaan op de problematiek van de hoge graad van laaggeletterdheid in Nederland.” Hier voel ik me erg door aangesproken. De huidige maatschappij vraagt van alle leerders een uitbreiding van geletterdheid. Het onderwijs moet serieus aandacht  besteden aan nieuwe vormen van geletterdheid, op alle niveaus. (3) “De Algemene Rekenkamer geeft aan dat er met name meer actie ondernomen dient te worden op het gebied van digitale vaardigheden.” Zeker. Dit advies zien we ook terugkomen in het Eindadvies Ons onderwijs2032. En daar zie ik mogelijkheden.
Als laatste een punt waar ik nog niet veel over had nagedacht: “Het Platform2032 van de commissie Schnabel heeft in januari 2016 een advies uitgebracht over het onderwijs van de toekomst. Daarin wordt bepleit om mediawijsheid te integreren in het curriculum van het primair en voortgezet onderwijs. Dat gebeurt echter vanuit een beperkt perspectief: mediawijsheid bestaat voor het platform in de eerste plaats uit een set van vaardigheden die met ICT en arbeidsmarktkansen te maken hebben. De raad onderschrijft uiteraard het belang van het maximaliseren van de arbeidsmarktkansen van leerlingen, maar constateert een gebrek aan een breed en dynamisch perspectief op cultuur en cultuurparticipatie.” Dit sluit mooi aan bij de definitie van geletterdheid in Nederland, dat drie onderdelen omvat: lezen, schrijven en literaire competentie. Ik hou mij vooral met de eerste twee onderdelen bezig, maar ben ook erg geïnteresseerd in de derde invalshoek. En dan hoeft het zich niet te beperken tot boeken, maar tot de hele culturele competentie. Een mooie, nieuwe uitdaging. Zeker voor een leraar Nederlands en cultuurliefhebber. Ik ga aan de slag en hoop dat jullie nog van me houden 😉 Ik hou je op de hoogte.