Docentontwikkelgroep ‘Schrijven op de schop’ is van start

De docent-ontwikkelgroep ‘Schrijven op de schop’ is van start. Lees hier meer over hier en hier.
Ik heb gisteren een Facebook-groep gestart. Dit is een besloten groep, maar wel zichtbaar voor iedereen.  We gaan actief aan het werk online via Facebook en GoogleDrive en in levende lijve. Eind januari nodig ik de deelnemers uit op mijn school Helen Parkhurst in Almere voor een eerste bijeenkomst, in newspeak een kick-off meeting.
Maar de online wereld is ongeduldig. Gisterenavond was er gelijk een zeer grote hoeveelheid collega’s die lid wilde worden worden van de FB-groep. We hebben echter besloten dat we niet zo maar nieuwe leden toelaten tot de FB-groep en de Google werkomgeving. Als je toch echt-echt mee wil doen en ideeën en ervaring hebt en je per ongeluk niet hebt opgegeven is er nog een achterdeurtje. ‘ Collega’s die zich niet eerder hebben aangemeld moeten eerst een online formulier invullen, waarin ze meer informatie over zichzelf geven en laten weten wat ze willen bereiken en kunnen inbrengen.’. Dan wordt besloten of je alsnog mee kan doen.  Er is dus een ballotage. Kwaliteit gaat voor. Maar goede mensen zijn van harte welkom. 

 

Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid #7

p025kdt4

De zevende nieuwsbrief Onlinegeletterdheid is op 10 oktober j.l. verstuurd. Onderwerpen die aan de orde komen zijn: (1) Ontmoetingen in de analoge wereld. Meetings op HSN en in den lande, (2) Professionaliseren: Achter op de fiets en beter herhalen. Hergebruiken en verlagen drempel ontwikkelen en onderzoek doen, (3) Lezen 2016: een driemaster of driedubbel spiegelei. We gaan aan het werk, (4) Recente activiteiten rond onlinegeletterdheid, (5) Luistertip.
Voor het archief Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid kijk HIER. Veel leesplezier en laat wat van je horen.

Lezen 2016: een driemaster of driedubbel spiegelei. Samen aan het werk. [update]

 

schermafdruk-2016-10-09-19-41-08Lezen is tegenwoordig een driemaster. Dat betekent dat de lezer meer moet kunnen dan in de tijd van de eenmaster, die we in onze schoolboeken zien rondvaren. De dominante manier waarop informatie wordt gedeeld is via internet, dus online. Vaardigheden die leerlingen leren bij onderwijs in tekstbegrip zijn niet voldoende om geletterd te zijn op internet (Coiro & Moore, 2012; Clemens, 2014). Het gaat hier dus niet om lezen op het scherm (Driessen, 2013; Stichting Lezen, 2016), maar om het begrijpen en gebruiken van nieuwe tekstsoorten en manieren van communicatie online, door mij onlinegeletterdheid genoemd. Dus we moeten aan de slag. En dat gebeurt steeds meer, gelukkig.

De teksten zijn sterk veranderd. Digitale bronnen/ tekstsoorten verschillen sterk van de lineaire inleiding-kern-slot teksten die we nu vooral gebruiken in het onderwijs. Online teksten zijn meestal niet lineair, maar hyperteksten, multimediaal, steeds veranderend en met vaak onduidelijke auteurs.
De lees- en leertaken van lezers worden steeds complexer en digitaler. Op school moeten leerlingen steeds vaker onderzoek doen voor grotere opdrachten waarvoor ze in staat moeten zijn bronnen te zoeken en vinden, deze bronnen te beoordelen op deugdelijkheid en bruikbaarheid, deze bronnen gericht lezen om antwoord te krijgen op hun onderzoeksvraag, de antwoorden systematisch op te slaan en deze bronnen te synthetiseren/ samenvoegen in een eigen tekst en daarna hun bevindingen te delen met anderen op allerlei manieren, ook online. Hierin zitten veel nieuwe vaardigheden als goed gebruiken van zoekmachines, wordt er nog meer beroep gedaan op metacognitieve vaardigheden (zelfsturing, gericht lezen) en zijn de dingen die zij nu leren bij vaardigheden, zoals kritisch lezen, niet meer voldoende bij kritisch lezen van online informatie. Veel leerlingen zijn daar niet goed in. We zien ook dat de overheid en het bedrijfsleven die vaardigheid verwacht van de burger: betalen belasting moet online, de overheid communiceert met ons via ons persoonlijk dossier en om een baan te krijgen moet je je goed kunnen presenteren via allerlei digitale kanalen.

Waar hoort onlinegeletterdheid in het curriculum thuis? Mijns inziens is het in elk geval een geïntegreerd onderdeel van Nederlands. En – maar dan hebben we het over een 21e eeuwse versie van taalbeleid- hoort het natuurlijk bij alle vakken aandacht te krijgen. De definitie van geletterdheid moet worden uitgebreid en onlinegeletterdheid moet daarin geïntegreerd aandacht krijgen. Veel aandacht. Van alle docenten.
Gelukkig sta ik met deze gedachte  niet alleen. De SLO zegt in haar rapport Curriculumspiegel 2015 Deel B: vakspecifieke trendanalyse het volgende “Om problemen van verkaveling en eenzijdig toetsen aan te pakken, wordt de laatste jaren sterk gepleit voor ontkaveling van het onderwijs Nederlands, ofwel voor geïntegreerd taalonderwijs. Daaronder verstaan we taalonderwijs waarin leerlingen vaardigheden (lezen, schrijven, spreken, luisteren) en kennis over taal (spelling, woordenschat, grammatica/taalbeschouwing) niet in cursorische deelleergangen maar in onderlinge samenhang verwerven. Hierbij staan de taaltaken die leerlingen uitvoeren centraal. Een taaltaak is een realistische taak in een zo authentiek mogelijke context die moet leiden tot een concreet resultaat of product. Ook taaltaken die belangrijk zijn in 21e eeuwse gedigitaliseerde communicatie horen hierbij, zoals het omgaan met digitale bronnen, het lezen en schrijven van webteksten en het gebruik van korte tekstberichten. Bij het uitvoeren van taaltaken komen verschillende taalvaardigheden geïntegreerd aan de orde (curs. Auteur).”. (SLO, 2015). In een andere publicatie van SLO, Aanwijzingen voor een nieuw leerplankader Nederlands vo (van der Leeuw, Meestringa, & van Silfhout, 2015), wordt ook aandacht besteed aan onlinegeletterdheid en integratie. De auteurs pleiten ervoor dat er meer aandacht moet komen voor nieuwe ontwikkelingen zoals “online geletterdheid, aandacht voor gamen, hyperteksten, mixed media”. En geven aan dat we “geen nieuwe domeinen [moeten] ontwikkelen zoals digitale vaardigheden. (van der Leeuw et al., 2015).
Gelukkig begint de overheid het belang van een goede beheersing van onlinegeletterdheid ook te beseffen. In het eindrapport Onderwijs2032 wordt op twee plaatsen gesproken over onlinegeletterdheid. Bij Nederlands en in de paragraaf Digitale Geletterdheid. Bij Nederlands wordt gezegd “ Ook kritisch teksten lezen en bespreken en leren omgaan met het steeds grotere aantal informatiebronnen verdienen meer aandacht. Digitale teksten en beelden komen steeds vaker in de plaats van papieren tekstvormen en ook daar moeten leerlingen vaardig mee kunnen omgaan. Een digitale tekst lees en schrijf je anders dan een tekst op papier en om via filmpjes informatie te kunnen verwerven moet je begrijpend kunnen kijken en luisteren.” (Schnabel, 2016)p. 30.  Onder het kopje Digitale Geletterdheid worden 4 verschillende dingen verstaan. Wat bij informatievaardigheden staat valt voor een groot deel samen met de kennis en vaardigheden van onlinegeletterdheid. Maar dit wordt als apart

Hoe kunnen we deze uitdaging aanpakken?  De inhoud van wat wordt geleerd en onderwezen m.b.t. geletterdheid moet worden uitgebreid ten opzichte wat er nu in kerndoelen, eindtermen en schoolboeken staat en, zolang er nog niets in het beschikbare lesmateriaal staat, gaan we dat samen maken. Dat doe ik de afgelopen jaren met steeds meer scholen, leraren en studenten (zie http://bit.ly/onletishot).
Het probleem is dat er nog niet zoveel lesmateriaal en didactiek direct ter beschikking is in Nederland. We kunnen dan wachten op de lange weg: Nieuwe inzichten en regels overheid, aanpassen eindtermen en referentieniveaus, aanpassen schoolboeken. Maar dit duurt zekere 5 jaar, als je optimistisch bent.
Dus propageer ik ook de korte weg te kiezen: zelf doen, de power of the crowd gebruiken, de uitdaging aangaan. Dus: in met leraren, docent-ontwikkelteams (op school en landelijk) aan het werk met zelf ontwerpen van lessen en didactiek en het onderzoeken van de effectiviteit daarvan.
Dit gebeurt al enige tijd, dus er is al materiaal voorhanden en de ontwikkelteams/ leraren maken steeds meer zelf. Deze uitkomsten wil ik steeds meer gaan delen met mensen die zelf ook willen bijdragen aan nieuwe inzichten en materiaal. Neem contact op als je je aangesproken voelt. In een volgend stuk zal ik voorbeelden geven van ontwikkeld materiaal en resultaten. Het kan, als we het willen.

Waarom de driemaster of dubbel spiegelei in de titel? Afflerbach, de laatste jaren vaan samen met Cho, heeft veel onderzoek gedaan naar leesvaardigheid. Een van de onderzoeken  is een meta-onderzoek waarin gekeken wordt waar onderzoek mbt lezen zich vanaf 1995 tot 2011 op heeft gericht (Afflerbach & Cho, 2010; Cho & Afflerbach, 2015; “Determining and describing reading strategies: Internet and traditional forms of reading,” 2010). We zien dat er eerst vooral onderzoek werd gedaan naar de basisvaardigheden van lezen, dat zo’n 15 jaar geleden de focus ook werd gericht op de aanvullende vaardigheden die nodig zijn om informatie uit meerdere teksten te combineren (synthese-vaardigheid) en dat het laatste decennium onlinegeletterdheid het meeste aandacht krijgt, omdat daar weer nieuwe vaardigheden voor nodig zijn. Dus het schip leesvaardigheid heeft tegenwoordig drie masten.
Lezen 1: basisvaardigheden van begrijpend lezen; traditioneel kern van curriculum; taalvaardigheden en metacognitieve vaardigheden/ strategieën. Met deze vaardigheden kan je op de binnenwateren varen. De lineaire tekst waarvan we meestal nog kunnen zeggen dat hij een inleiding, kern en slot heeft. Voorbeelden: samenhang binnen tekst, voorkennis inzetten, alinea-verbanden, functie tekstdelen. De nadruk ligt vaak op de betekenis die de schrijver in de tekst heeft gelegd.
Lezen 2: Meervoudige teksten. Combineren van meerdere teksten; hogere orde vaardigheid synthetiseren; relatie met curriculum en lesmateriaal. Hiermee kom je al in de grotere wateren van binnen- en buitenland. Voorbeelden: tekst 1 relateren aan tekst 2 en de overeenkomsten en verschillen interpreteren, gericht verschillende informatie halen uit meerdere teksten, voorkennis uit een tekst gebruiken bij het lezen van een tweede tekst, beoordelen van bruikbaarheid van een tekst ten opzichte van de andere. Hier moet een lezer al meer een eigen tekst construeren uit meerdere informatiebronnen.
Lezen 3: Onlinegeletterdheid. Verschillende studies hebben succesvol leesgedrag op internet bestudeerd. Een succesvolle lezer maakt strategische beslissingen welke teksten te lezen en in welke volgorde, gestuurd door een lees- of leervraag. Afflerbach en Cho noemen dit het proces van ‘realizing and constructing potential texts’ . Een lezer construeert, gebruik makend van verschillende bronnen, zijn eigen tekst (Afflerbach & Cho, 2010; Cho & Afflerbach, 2015). Goede online lezers navigeren op internet gestuurd door een leervraag, monitoren hun leesproces, stellen zichzelf vragen, maken beslissingen over bruikbaarheid en deugdelijkheid, en bouwen zo een individuele leesroute. Er zijn nieuwe vaardigheden en strategieën betrokken bij dit proces van het verkennen en lezen van informatie online, zoals zoeken en vinden van bruikbare informatie, kritisch beoordelen op bruikbaarheid en deugdelijkheid van bronnen, kiezen welke deelinformatie bruikbaar is, en het synthetiseren van deze informatie (Donald J Leu, Kinzer, Coiro, Castek, & Henry, 2013). Daarnaast vraagt het vaardigheden dit ook online te communiceren

Als je alle drie masten goed hebt opgetuigd, kan je de grote oceaan van het internet ook bevaren en nieuwe uitdagingen aan. Je kan dan alle wateren bevaren en bent voorbereid op de maatschappij van tegenwoordig. Dit betekent dat wij in staat moeten zijn om, als we leerlingen willen leren alle informatie goed te begrijpen en gebruiken, we in staat moeten zijn de zeilen van alle drie masten in te zetten. We moeten in ons curriculum dus naast traditioneel tekstbegrip ook aandacht besteden aan werken met meerdere teksten en aan onlinegeletterdheid.
Het alternatieve beeld van spiegelei gebruik ik om aan te geven dat er een uitbreiding plaatsvindt. Lezen 1 is de eerste ei of rondje, Lezen 2 komt daar omheen en Lezen 3 daar weer omheen. De vaardigheden omsluiten elkaar. Dat betekent dat bij lezen 3 zijn de vaardigheden van lezen 1 en 2 ook nodig, maar het wordt complexer en er worden nieuwe vaardigheden en kennis aan toegevoegd.

Afflerbach, P., & Cho, B.-Y. (2010). Determining and describing reading Strategies. In W. Schneider & H. S. Waters (Eds.), Metacognition, Strategy Use, and Instruction (pp. 201–225). New York: Guilford Press.

Cho, B.-Y., & Afflerbach, P. (2015). Reading on the Internet. Journal of Adolescent & Adult Literacy58(6), 504–517.

Clemens, J. (2014). Online tekstbegrip en online geletterdheid. Het nieuwe lezen, anders bekeken. Levende Talen Magazine4(mei 2014).

Coiro, J., & Moore, D. W. (2012). New Literacies and Adolescent Learners: An Interview With Julie Coiro. Journal of Adolescent & Adult Literacy55(6), 551–553.

Driessen, M. (2013). Het nieuwe lezen. Levende Talen Magazine100(8), 4–8.

Donald J Leu, J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In R. B. Ruddell & D. Alvermann (Eds.), Theoretical models and processes of reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association.

Schnabel, P. (2016). Ons onderwijs 2032. Eindadvies. Den Haag : Bureau Platform Onderwijs2032.

SLO. (2015). Curriculumspiegel Deel B: Vakspecifieke trend­analyse. Enschede: SLO.

Stichting Lezen. (2016). Leesmonitor – Het Magazine. Digitaal Lezen, Anders Lezen? Retrieved April 15, 2016, from http://www.lezen.nl/sites/default/files/Leesmonitor1-2016_lr.pdf

van der Leeuw, B., Meestringa, T., & van Silfhout, G. (2015). Aanwijzingen voor een nieuw leerplankader Nederlands vo (pp. 1–3). Enschede: SLO.

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid nr.6

p025kdt4De inmiddels zesde nieuwsbrief Onlinegeletterdheid is verstuurd. Onderwerpen die aan de orde komen zijn:

  1. Laatste ronde voor de vakantie en mogelijkheden volgend jaar
  2. Resultaten van een ontwikkeltraject met scholen in het afgelopen schooljaar: ontwerpen lesmateriaal, kiezen waar die lessen betekenisvol een plaats konden krijgen, geven van lessen, nieuwe testomgeving onlinegeletterdheid en onderzoeken wat de resultaten. Een van die scholen is het Piter Jelles !mpulse in Leeuwarden. Hier heeft Ymkje Visser, de kar getrokken binnen het vak Nederlands en ze heeft daarover een mooie scriptie geschreven. Hier de resultaten.
  3. Testomgeving. We hebben nu ervaring met de testomgeving voor onlinegeletterdheid: ORCA-NED. Deze testomgeving is, gebaseerd op een testomgeving uit Amerika, Online Reading Comprehension Asessment (ORCA), van Don Leu en collega’s. Wij hebben een Nederlandse versie gemaakt, die nog in een testfase is.  Hier meer informatie over deze testomgeving en hoe je mee kan doen.
  4. Onlinegeletterdheid en onderwijs2032 en de relatie met ons werk aan onlinegeletterdheid. Uitdagingen en kansen.
  5. Volgend jaar aan de slag

Deze en vorige nummers van de Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid kan je lezen via de nieuwsbrief-pagina van deze site/ edublog. Veel leesplezier en laat wat van je horen. Prettige vakantie.

Update Lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ Onlinegeletterdheid en Onderwijs2032 bij Nederlands

nonc-theo-fotos_26499174970_o

UPDATE Paul Schnabel, de voorzitter van de commissie onderwijs2032 geeft ons een compliment.
“.. een mooi plan, al is uw eigen voorbeeld natuurlijk wel meteen zeer jaloersmakend. Op het gymnasium ben ik zelf – meer dan 50 jaar geleden – ook de sporen van mijn eigen familie in de archieven gaan zoeken en een jaar of tien geleden heb ik over mijn grootvader bij gelegenheid van het afscheid van de toenmalige directeur van het Nationaal Archief een verhaal geschreven. Ik steun uw plan dus van harte en het past ook zeker bij de ideeën van Platform Onderwijs 2032 ( al is het ook weer niet zo specifiek dat het alleen daarbij zou passen, zie mijn eigen activiteit tijdens het pre-Mammoetonderwijs). Met vriendelijke groet, Paul Schnabel”

 “Iedereen heeft ze: opmerkelijke, interessante, geheimzinnige, bewonderenswaardige, rare, maar ook beruchte en omstreden familieleden. Ook jij. Sommigen ken je, of heb je gekend. Maar wat weet je eigenlijk van bloedverwanten die al lang geleden zijn overleden? Van sommigen heb je wellicht nog nooit gehoord, laat staan dat je de bijzondere belevenissen uit hun leven kent. In de lesmodule ‘Verborgen Familieverleden’ wek je niet alleen een vergeten dode uit jouw eigen familiegeschiedenis weer tot leven. Je vertelt ook zijn of haar verhaal, in de vorm van een geschreven meesterproef. De beoordeling telt mee als cijfer voor het vak Nederlands.”  (deel van lesmateriaal voor de leerling)

Ik ben twee weken geleden begonnen met een lang project in VWO4, doorlopend tot februari 2017, wanneer de klas dus VWO 5 is geworden. Een tijdje geleden werd ik benaderd door Ferdi Schrooten, schrijver en zelfstandig (onderzoeks)journalist met twee decennia ervaring bij tv, print en online media in binnen- en buitenland. Hij is auteur van het non-fictieboek ‘Nonk Theo en de mijnen’. Hij wilde met me praten omdat hij een avontuurlijk onderzoek had gedaan naar een onduidelijke oom, Nonk Theo, die in de jaren ’50 was geëmigreerd naar Australië en daar rijk wilde worden met goud zoeken. Hij wist dat ik veel bezig was met onlinegeletterdheid en altijd geïnteresseerd ben in betekenisvol en uitdagend onderwijs. Hij zag veel aanknopingspunten van zijn onderzoek en mijn werk rond onlinegeletterdheid en uitdagend onderwijs voor nu. Het gesprek was heel interessant en we hebben inmiddels samen een lesmodule gemaakt waarin leerlingen zelf op zoek gaan naar interessante familieleden van lang geleden. In dit project wordt een groot beroep gedaan op de vaardigheden in onlinegeletterdheid van de leerlingen. Zoals bekend ben ik, naast lesgeven, bezig met onderzoek naar onlinegeletterdheid en het ontwikkelen van lesmateriaal samen met leraren en geef ik workshops en ondersteuning hierin. En nieuwe dingen uitproberen in je eigen klas is natuurlijk het meest leerzaam en zorgt er ook voor dat ik echte voorbeelden kan geven als ik met andere leraren werk. Ook ben ik altijd in voor voor leerlingen en mij uitdagende lesideeën. We hebben er allemaal veel zin in: Ferdi en ik, de leerlingen en de schoolleiding. Ik voer het eerst als een pilotproject uit, om te kijken wat goed gaat en wat beter kan. Daarna willen collega’s ook al mee doen. Misschien jij ook? Ik zal geregeld op mijn blog berichten hoe het verloopt.

Dit project past goed in recente ontwikkelingen in het denken, ook van de overheid, over onderwijsvernieuwingen. Zoals ik al in een eerder blogbericht schreef is de context voor het implementeren van onlinegeletterdheid bij Nederlands, en bij de andere vakken, beter geworden. ‘Verborgen Familieverleden’ is een voorbeeld van ‘betekenisvol onderwijs op maat’, zoals gepropageerd in de toekomstagenda ‘Ons onderwijs2032, onlangs gepubliceerd door Platform Onderwijs2032 onder leiding van Paul Schnabel. Binnen de lesmodule worden kennis en vaardigheden ontwikkeld door creativiteit en nieuwsgierigheid van de leerling aan te wakkeren en in te zetten. Motivatie komt voort uit leren aan de hand van ‘het echte leven’, nauw aansluitend bij het eigen ik en de eigen familie. Tevens draagt de lesmodule bij aan persoonsvorming en identiteitsontwikkeling van leerlingen, belangrijke pijlers onder het ‘toekomstgericht leren’. In al haar samenhang draagt de lesmodule bij aan Bildung, ontwikkeling en ontplooiing van leerlingen tot zelfstandige volwassenen die – om met een term uit ‘Ons onderwijs 2032’ te spreken – ‘vaardig, waardig en aardig’ zijn.

Hieronder wat meer informatie, geschreven door Ferdi Schrooten.
‘Verborgen familieverleden’ is een vernieuwend lesprogramma voor het voortgezet onderwijs. Deelnemende leerlingen halen informatie boven water over een lang geleden overleden familielid dat om wat voor reden dan ook de nieuwsgierigheid wekt. Er moet niet al te veel bekend zijn over het familielid; er moet nog wat te speuren en ontdekken zijn. Het onderzoek kan via alle denkbare bronnen: levend, papier, digitaal, online en offline. Denk daarbij onder meer aan interviews, (online) databanken en archieven. Op basis van gevonden en gewogen informatie schrijven de leerlingen uiteindelijk een meesterproef, in het Nederlands, voor het vak Nederlands. Andere vakken, zoals Geschiedenis, Maatschappijleer en CKV, kunnen bij het lesprogramma aansluiten. Dat maakt de lesmodule vakoverstijgend.
De lesmodule telt, verspreid over een aantal maanden, diverse lessen voor instructie, planning en begeleiding. Als start en als bron van inspiratie verdiepen de leerlingen zich in het boek ‘Nonk Theo en de mijnen’, van journalist en schrijver Ferdi Schrooten, een van de ontwikkelaars en begeleiders van deze lesmodule. Zijn boek beschrijft de bij tijd en wijlen gekmakende zoektocht naar sporen van een dode oom, die in Australië een even avontuurlijk als tragisch bestaan kende als pionier, kangoeroejager, geluk- en goudzoeker. In zekere zin gaan de leerlingen binnen de lesmodule op zoek naar hun eigen – ‘Nonk Theo’, maar dan in miniatuur en in hun eigen familie. De uitkomst is compleet ongewis. Dat maakt het proces spannend. Tegelijkertijd raakt het de leerlingen persoonlijk: ze wekken een bloedverwant tot leven.

 

 

Onlinegeletterdheid: spraakverwarring vermijden en mijn keuze

p025kdt4Sinds een maand zit ik in de Commissie Mediawijsheid van de Raad voor Cultuur. De overwegingen om op de uitnodiging in te gaan heb ik al eerder opgeschreven. Het is een leuke club met mensen die op allerlei manieren te maken hebben met (nieuwe) media en met nieuwe kennis en vaardigheden die daarbij horen. Als je dichterbij zit zie je dat de de samenwerking tussen de O en de C van het ministerie OC&W soms nog wat te wensen over laat, maar een week geleden is besloten dat het advies van deze commissie sterker gaat aansluiten op het Eindadvies onderwijs2032, wat een wijs besluit is.

Maar in de gesprekken in de commissie zie je terugkomen waar ik al me eerder ernstige zorgen over maakte. Er is nog steeds een spraakverwarring als het om vaardigheden om te communiceren online en om digitale media gaat. Als we dit niet heel duidelijk definiëren en communiceren naar het veld vallen we in dezelfde valkuil als die we hebben gegraven door 21ste eeuwse vaardigheden te introduceren. Het is vaag, het omvat heel verschillende kennis en vaardigheden, het is soms oude wijn in nieuwe zakken. In onderwijs2032 vallen vier soorten vaardigheden onder het kopje Digitale Geletterdheid: (1)Basiskennis van ICT, (2)Informatievaardigheden, (3)Mediawijsheid en (4)computational thinking. Deze kennis en vaardigheden als aparte categorie genoemd, naast Taalvaardigheid Nederlands en Taalvaardigheid Engels. Dit is een denkfout, bij een groot gedeelte van deze vaardigheden gaat het om een uitbreiding van geletterdheid, een domein dat bij talenonderwijs van groot belang is, maar (nog) niet de digitale tekstsoorten en taalvaardigheden voor het begrijpen en gebruiken van nieuwe tekstsoorten op internet omvat. Zo gaat die integratie natuurlijk niet bevorderd worden. De vrees voor een nieuw vak Digitale geletterdheid steekt de kop op. We kennen het debacle van het nieuwe vak Studievaardigheden in de jaren ’90, waarvan we later moesten constateren dat het geen enkele transfer had voor leren bij de vakken.

En zo krijg je de leraar en de leraarsopleider niet in de innovatieve stand. Het vertraagt het implementeren van vernieuwingen is het onderwijs in mijn ervaring enorm. Als leraren denken dat het weer nieuwe dingen zijn, doen de meesten het af als ‘ niet mijn pakje an’. Daarom ben ik ingegaan op het verzoek van komenskypost.nl om een oude post op deze edublog opnieuw te mogen publiceren. Voor deze nieuwe publicatie heb ik dat stuk enigszins herschreven. Omdat ik het nog steeds een belangrijk discussiepunt vind, publiceer ik het hieronder ook hier. Ik ga ervan uit dat niet iedereen komensypost.nl leest. Recycle en remix is ook een moderne vaardigheid, waar ik nu mee oefen. Ik ben heel benieuwd naar reacties en debat.

<stuk op komenskypost.nl>
Het lezen en schrijven vindt tegenwoordig vooral via internet plaats, online dus. Op internet zijn inmiddels veel nieuwe tekstsoorten ontstaan, die sterk afwijken van de traditionele lineaire teksten op papier. Verschillen zijn: niet meer lineair, maar teksten en tekstdelen verbonden via hyperlinks, steeds veranderend, multimediaal, en vaak interactief in plaats van statisch(Clemens, 2014). Nieuwe vormen van communicatie online vragen een nieuwe vorm van geletterdheid met additionele vaardigheden (Coiro, 2011). Over de vraag wat dat precies is, vindt een hevige discussie plaats. We weten dat gebruiken van informatie online nieuwe vaardigheden vraagt, dat leerlingen hier niet altijd goed in zijn (OECD, 2011) en dat er nieuwe didactiek en materiaal nodig is om in het onderwijs hier aandacht aan te kunnen besteden (Leu, Zawilinski, Forzani, & Timbrell, 2011).
Ik krijg regelmatig leraren en scholen aan de lijn die willen praten over hoe zij aandacht zouden kunnen besteden aan het begrijpen en gebruiken van online informatie. Ook anderen willen hierover in gesprek (CITO, lerarenopleidingen, uitgevers). De ‘sense of urgency’ is er steeds meer en leraren Nederlands willen aan het werk, maar weten nog niet goed hoe.
In de gesprekken zie ik dat er veel verwarring is. Een belangrijke reden daarvoor is dat er een Babylonische spraakverwarring is rond werken met internet en online informatie.  Hier sprak ik al vijf jaar geleden al over  “Come, let us go down and confound their speech”. Maar het is de afgelopen jaren niet beter geworden. Een onduidelijke terminologie zit innovatie van onderwijs in de weg, is mijn stellige overtuiging.

Een van de beletselen om als (talen)docent na te denken over uitbreiden van het curriculum is de onduidelijke definitie en verwarrende terminologie. Het gaat om termen als: 21st century skills, digitale geletterdheid, ICT-vaardigheden, mediavaardigheden en –wijsheid, informatievaardigheden, online tekstbegrip, het nieuwe lezen en nog veel meer. In de Engelstalige literatuur wordt de term literacy (geletterdheid) veel gebruikt, maar die term is verworden tot een synoniem van vaardigheid en dus slecht bruikbaar geworden (Belshaw, 2011). Een rapport van de KNAW (KNAW, 2012) heeft als titel Digitale Geletterdheid, maar die term wordt daar gebruikt als synoniem voor ICT-vaardigheid, waar docenten informatica mee aan de slag kunnen. De term Informatievaardigheden wordt ook veel gebruikt (Brand-Gruwel, S., & Walhout, J., 2010). Deze termen gaan gedeeltelijk over verschillende zaken, maar overlappen ook sterk. En dit is schadelijk voor de bereidheid van leraren om hun eigen curriculum aan te pakken: “dit is niet mijn pakkie an”.

In gesprekken met (talen)docenten probeer ik consequent te blijven in mijn terminologie en aan te sluiten bij termen waar zij aan gewend zijn. In het talenonderwijs is de term geletterdheid bekend en die is opgenomen in de eindtermen. De term geletterdheid omvat in het Nederlands drie competenties: Lezen, Schrijven en Literaire competentie. Ik richt mij in mijn onderzoek en ondersteuning van leraren en scholen met name op de component lezen. Geletterdheid is een psycholinguïstisch proces dat verschillende fasen omvat. Talendocenten hanteren meestal de hoofdfasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken. Binnen deze fasen is de beheersing van  verschillende vormen van taalkennis, taalvaardigheden en -strategieën nodig. In de eerste twee fasen gaat het vooral over leesvaardigheid/ tekstbegrip en de laatste fase betreft online schrijven, met onderliggende taalkennis, deelvaardigheden en strategieën.

Voor lezen en schrijven online hanteer ik dan ook consequent de term onlinegeletterdheid, het (kunnen) lezen en schrijven online. Simple as that. Dit betekent een uitbreiding van de definitie van het domein dat wordt gebruikt in talenonderwijs. Het is ook een duidelijk standpunt dat online geletterdheid een uitbreiding is van de vaardigheid geletterdheid in het reguliere (talen)onderwijs en geen nieuw vak, zoals informatievaardigheden of digitale geletterdheid. Het hoort bij je vak. Deze term komt overeen met wat in Engelstalig onderzoek Online Reading Comprehension wordt genoemd of de laatste jaren steeds vaker wel New Literacies ( Leu, 2013; OECD, 2011 ), en sluit ook aan bij het onderzoek naar informatievaardigheden. Maar het is meer dan dat.
Ik gebruik de term online en niet digitaal. Het feit dat een tekst digitaal is, is niet zo belangrijk. Als een artikel integraal als PDF online wordt gezet is het niet veel anders dan de papieren variant en zijn de vaardigheden die je daarvoor nodig hebt ook vrijwel hetzelfde. Dit geldt ook voor e-boeken, meestal een exacte digitale kopie van een papieren boek. Wat ervoor zorgt dat online geletterdheid anders is, en dus een uitbreiding van het traditionele definitie van geletterdheid en tekstbegrip is dat veel online teksten helemaal niet lijken op papieren teksten. Het zijn nieuwe tekstsoorten met hun eigen, afwijkende kenmerken Voor die nieuwe tekstsoorten zijn nieuwe vaardigheden nodig. En die nieuwe vaardigheden vragen innovatie van het huidige onderwijs.

Het is zeker ook waar dat er ook andere kennis en vaardigheden nodig zijn om goed te kunnen participeren in de digitale maatschappij. Dat betekent dat we nog preciezer moeten zijn in het gebruik van de terminologie. Mediawijsheid heeft aspecten die niet samenvallen met onlinegeletterdheid, bijvoorbeeld het sociale gedrag online en ICT-vaardigheden ook, bijvoorbeeld kunnen programmeren. Laten we proberen heel zuiver te omschrijven waar we het over hebben en aansluiten bij termen die de leraar begrijpt. Dat levert mijns inziens betere resultaten op. Veranderen is moeilijk en laten we zorgen dat de kans daarop zo groot mogelijk is.

Ik hoop dat door iets preciezer te zijn met terminologie de discussie over wat we moeten doen makkelijker zal verlopen. En laten we wel goed samenwerken. We kunnen het dan sneller hebben om waar het om gaat, i.c. nieuwe vormen van taalvaardigheid onderwijzen. Daar hebben leerlingen in de huidige digitale netwerkmaatschappij recht op.

Literatuur

Brand-Gruwel, S., & Walhout, J. (2010). Informatievaardigheden voor leraren. Open Universiteit.

Clemens, J. (2014). Online tekstbegrip en online geletterdheid. Het nieuwe lezen, anders bekeken. Levende Talen Magazine(mei 2014).

Coiro, J. (2011). Predicting Reading Comprehension on the Internet: Contributions of Offline Reading Skills, Online Reading Skills, and Prior Knowledge. Journal of Literacy Research43(4), 352–392. http://doi.org/10.1177/1086296X11421979

KNAW. (2012). Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs (pp. 1–44). Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Leu, D. J., Zawilinski, L., Forzani, E., & Timbrell, N. (2011). Best Practices in Teaching the New Literacies of Online Research and Comprehension. In L. M. Morrow & L. B. Gambrell (Eds.), Best Practices in Literacy Instruction (4 ed.). New York: Guilford Press.

Leu, D. J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In N. J. Unrau, N. Unrau, D. Alvermann, & R. B. Ruddell (Eds.), Theoretical Models and Processes of Reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association. doi:10.1598/0710.42

OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line: Digital technologies and Performance (Volume VI) (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing. Retrieved from http://dx.doi.org/10.1787/9789264112995-en

Luister de Podcast. Mijn ideeën over onlinegeletterdheid en onderwijsinnovatie.

Schermafdruk 2016-05-20 11.53.36
Don Zuiderman “In mijn 31e podcast spreek ik met Jeroen Clemens, leraar Nederlands aan het Helen Parkhurst College in Almere. Jeroen is nu vijf jaar bezig met onderzoek naar onlinegeletterdheid. Samen praten we onder andere over hoe het vak Nederlands zich zou moeten ontwikkelen om recht te doen aan het soort teksten waarmee jongeren tegenwoordig te maken krijgen.”.
We hebben ook gesproken over de verschillende strategieën voor onderwijsinnovatie en de stroperige situatie bij zowel scholen als de overheid.
Klik op de titel van dit blogbericht voor embedded Podcast

Lidmaatschap Commissie Mediawijsheid van de Raad van Cultuur. Een beslissing.

Schermafdruk 2016-05-08 17.48.17Vanaf 1 mei 2016 ben ik lid van de commissie Mediawijsheid van de Raad voor Cultuur.
De laatste tijd is er veel discussie over de te geringe invloed die leraren hebben op de ontwikkelingen in het onderwijs. En dat gevoel deel ik van harte. Maar als leraren gevraagd worden mee te denken met de overheid in officiële overheidsorganen, zie ik ook veel argwaan. René Kneyber heeft niet alleen maar lof gekregen, toen hij toetrad tot de onderwijsraad. Je zou de politieke achterkamertjes worden ingetrokken en je scherpte van denken verliezen. Het doet me denken aan de jaren ’70 waarin je, als je een oproep kreeg voor de dienstplicht, moest kiezen (1) je te laten afkeuren, (2) dienst te weigeren of (3) het leger in te gaan om ‘ het van binnenuit te veranderen’. Toen koos ik (1), nu voor (3). Waarom?Ik hou mij al een aantal jaren -naast mijn werk als leraar Nederlands- bezig met onlinegeletterdheid. Ik heb mij regelmatig uitgelaten over de babylonische spraakverwarring rond vaardigheden die te maken hadden met ons tegenwoordige leven online. En ik heb mij kritisch uitgelaten over de hele industrie die er is ontstaan rond Mediawijsheid, met coaches, afstudeerrichtingen en dergelijke en het gevaar dat het een nieuw vak gaat worden en leraren het niet meer herkennen als hun ‘core-business’. En ‘i’am to blame too’ met de introductie van de term onlinegeletterdheid, waarmee ik beter wil aansluiten bij het onderwijs in geletterdheid, met name door talenleraren. De laatste tijd ben ik pragmatischer, ik wil zorgen dat de leraren al deze nieuwerwetsheid niet meer zien als ‘niet van ons’, maar herkennen als deel van hun nieuwe curriculum. Ik ben tegenwoordig meer vriendjes met anderen, omdat ik vind dat er in het onderwijs meer structurele aandacht moet zijn voor vaardigheden en attitudes nodig om je staande te houden in de gedigitaliseerde samenleving en goed gebruik te kunnen maken van de nieuwe mogelijkheden die dit geeft.
In de uitleg van de Raad voor Cultuur staan een paar uitspraken die mij overhaalden: (1) “In 2005 heeft de raad het begrip mediawijsheid geïntroduceerd en er een advies over uitgebracht: Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap. (…) [Maar] De (media)technologie is de afgelopen tien jaar namelijk flink veranderd. Zo heeft digitalisering in veel facetten van ons leven ingegrepen, zijn opvattingen over het belang van cultuur in een digitale context veranderd en zijn mediaconsumptiepatronen gewijzigd.” Ik vind ook dat dit advies achterhaald is en we ons opnieuw moeten beraden. (2) “Het komende advies over mediawijsheid zal in het bijzonder ingaan op de kenmerken van een onderwijscultuur die rekening houdt met een gemedialiseerde samenleving en zal anderzijds ingaan op de problematiek van de hoge graad van laaggeletterdheid in Nederland.” Hier voel ik me erg door aangesproken. De huidige maatschappij vraagt van alle leerders een uitbreiding van geletterdheid. Het onderwijs moet serieus aandacht  besteden aan nieuwe vormen van geletterdheid, op alle niveaus. (3) “De Algemene Rekenkamer geeft aan dat er met name meer actie ondernomen dient te worden op het gebied van digitale vaardigheden.” Zeker. Dit advies zien we ook terugkomen in het Eindadvies Ons onderwijs2032. En daar zie ik mogelijkheden.
Als laatste een punt waar ik nog niet veel over had nagedacht: “Het Platform2032 van de commissie Schnabel heeft in januari 2016 een advies uitgebracht over het onderwijs van de toekomst. Daarin wordt bepleit om mediawijsheid te integreren in het curriculum van het primair en voortgezet onderwijs. Dat gebeurt echter vanuit een beperkt perspectief: mediawijsheid bestaat voor het platform in de eerste plaats uit een set van vaardigheden die met ICT en arbeidsmarktkansen te maken hebben. De raad onderschrijft uiteraard het belang van het maximaliseren van de arbeidsmarktkansen van leerlingen, maar constateert een gebrek aan een breed en dynamisch perspectief op cultuur en cultuurparticipatie.” Dit sluit mooi aan bij de definitie van geletterdheid in Nederland, dat drie onderdelen omvat: lezen, schrijven en literaire competentie. Ik hou mij vooral met de eerste twee onderdelen bezig, maar ben ook erg geïnteresseerd in de derde invalshoek. En dan hoeft het zich niet te beperken tot boeken, maar tot de hele culturele competentie. Een mooie, nieuwe uitdaging. Zeker voor een leraar Nederlands en cultuurliefhebber. Ik ga aan de slag en hoop dat jullie nog van me houden 😉 Ik hou je op de hoogte.

Derde Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid

p025kdt4

De derde nieuwsbrief onlinegeletterdheid is  verzonden aan de inmiddels meer dan 160 abonnees. Abonneer je op deze nieuwsbrief. De context voor onlinegeletterdheid in het VO is beter geworden Ten eerste is het eindadvies onderwijs2032 gepubliceerd. Dat gaat over het hele onderwijs en daar zijn veel verschillende meningen over (zie nieuwsbrief voor voorbeelden). Maar we zien  dat onlinegeletterdheid in beeld komt als een belangrijk onderdeel van het onderwijs. Een tweede positieve intwikkeling is dat de SLO in opdracht van het Ministerie van OCW, in het kader van Onderwijs2032 een vooronderzoek heeft uitgevoerd ten behoeve van een herijking en mogelijke aanpassing van het beoogde curriculum Nederlands. Er is een literatuuronderzoek uitgevoerd, er is een discussiebijeenkomst geweest en een aantal experts is geraadpleegd, waar ik er een van ben. Download hier de publicatie Herziening Leerplankader Nederlands VO van SLO. Een van de aanbevelingen is om meer onderzoek te doen naar nieuwe ontwikkelingen, “zoals online geletterdheid, aandacht voor gamen, hyperteksten, mixed media, maar geen nieuwe domeinen ontwikkelen zoals digitale vaardigheden bijvoorbeeld”. Dit sluit aan bij onze visie op het implementeren van onlinegeletterdheid, namelijk een noodzakelijke uitbreiding van geletterdheid, maar geïntegreerd en niet apart. Als onlinegeletterdheid expliciet onderdeel gaat uitmaken van de eindtermen, zorgt dit ervoor dat het ook in leermateriaal en het curriculum terecht komt.
Daarnaast geef ik een Amerikaans voorbeeld als inspiratiebron, worden nieuwe activiteiten besproken op het gebied van onlinegeletterdheid en kan je Don Leu online laten uitleggen waarom aandacht voor onlinegeletterdheid nodig is. Verder een oproep op nog meer te gaan samenwerken.
Ik hoop dat deze nieuwsbrief een interessante additionele manier is om in discussie te blijven over onlinegeletterdheid in het onderwijs: wat, waarom en hoe, en dat we nog meer zullen samenwerken om dit een goede plaats te geven in het onderwijs.

European Declaration of the Right to Literacy

Schermafdruk 2016-04-25 19.32.52Sinds de jaren ’90 ben ik betrokken bij de International Literacy Association. Ik ben ook de vertegenwoordiger van Nederland in de IDEC (International Development in Europe Committee). Hierin werken 30 Europese landen samen aan het verbeteren van geletterdheid in Europa. Een van de projecten waar IDEC bij betrokken is, is ELINET.  Elinet is opgericht in february 2014 en “unifies 77 partner organisations from 28 European countries (including 24 EU member states) engaged in literacy policy-making and reading promotion in Europe”. Elinet heeft een European Declaration of the Right to Literacy ontworpen. Daarover hieronder meer informatie.

In Europe we face serious literacy challenges: one in five 15-year-olds and nearly 55 million adults lack basic literacy skills and in the last 10 years there has been little improvement in the levels of literacy in Europe. International ELINET experts have discovered that the Universal Declaration is too unspecific with regard to literacy.

Literacy has been recognized as a human right for over 50 years in several international declarations and initiatives. Since its creation, UNESCO has promoted literacy as a right: 1975 Persepolis Declaration, 1997 Hamburg Declaration, 2006-2015 Literacy Initiative for Empowerment (LIFE), with a focus on those countries that face the biggest literacy challenges, mainly in Africa and Asia.

Every European citizen has the right to acquire literacy. EU Member States should ensure that citizens of all ages, regardless of social class, religion, ethnicity, origin and gender, are provided with the necessary resources and opportunities to develop sufficient and sustainable literacy skills in order to effectively understand and use written communication be in handwritten, in print or digital form.
A Declaration of European Citizens’ Right to Literacy was thus developed to re-emphasize this universal right.

Download the Declaration

The Declaration of European Citizens’ Right to Literacy is available in several different languages below.

Bulgarian VersionCzech VersionDutch VersionEnglish VersionFinnish VersionFrench VersionGerman VersionItalian VersionLithuanian VersionPortuguese VersionRomanian VersionRussian Version