Voorstel nieuw CSE Nederlands blijft 20ste eeuws

Vanmorgen kreeg ik een uitnodiging om als iemand uit ‘het veld’ mijn oordeel te geven over aanpassingen in het CSE voor HAVO en VWO vanaf 2015. Dat is een positieve actie van het College voor Examens (CvE). De docent die het moet doen, moet natuurlijk om zijn/ haar mening worden gevraagd.
Ik kreeg de uitnodiging via Levende talen die niet geheel neutraal het verzoek zo formuleerde ” Mede naar aanleiding van de discussiebijeenkomst die we vorig jaar als vakvereniging hebben georganiseerd, heeft het College voor Examens besloten het examen Nederlands voor havo en vwo aan te passen. Zo wordt tot vreugde van velen de geleide samenvatopdracht geschrapt. In de concept-syllabus leest u wat daarvoor in de plaats komt.”

Ik heb me direct opgegeven en de conceptsyllabi gedownload. Wat ik daar aantrof was helaas wat ik had verwacht. De aanpassingen zijn vooral ingegeven door de wens nog betrouwbaarder te beoordelen, maar de validiteit van het examen is volgens mij slecht. Het is een examen uit de twintigste eeuw, we toetsen geen 21st century skills.
De verandering betreft een aanpassing van het gedeelte Leesvaardigheid, waarvan een deel bestond uit een (geleide) samenvatting.
Om met het positieve te beginnen: Ik ben het eens met de beslissing de manier waarop dit nu wordt getoetst te veranderen. Het is geenszins (ecologisch) valide als bij de opdracht tot het maken van een samenvatting de inhoudselementen die in die samenvatting voor moeten komen al vooraf zijn gegeven. In de wereld buiten de school zal je zoiets nooit tegenkomen en de vaardigheid een tekst samen te vatten wordt daar m.i. niet door getoetst. De beslissing dit zo te toetsen is louter ingegeven door de grote nadruk die er bij toetsen wordt gelegd op betrouwbaarheid. Zo kijkt het makkelijk na en iedereen komt ongeveer op hetzelfde cijfer uit. Betrouwbaarheid ‘rules’.

Nu het punt waar ik veel bezwaar tegen heb. Zoals lezers van deze edublog weten doe ik onderzoek naar online tekstbegrip. Kort samengevat doe ik dat omdat (1) tegenwoordig (in de 21ste eeuw) de meeste teksten online staan en online worden gelezen, (2) deze teksten (meestal hyperteksten) andere kenmerken hebben dan offline teksten: ze hebben een andere structuur, zijn niet lineair opgebouwd, zijn niet statisch, maar veranderend, zijn vaak een cluster van teksten ipv een enkele tekst, hebben niet altijd een aanwijsbare auteur etc., (3) we uit grootschalig onderzoek (PISA, ORCA) weten dat leerlingen problemen hebben met het begrijpen van online teksten. Ook weten we dat leerlingen nauwelijks gebruik maken van papieren teksten, geen papieren kranten en tijdschriften lezen en dat de maatschappij ook vooral communiceert via online teksten.

Een misschien ouderwetse gedachte is dat onderwijs normaal-functioneel is, zoals Ten Brinke het in 1976 formuleerde. De school bereidt de leerling voor op de maatschappij buiten de school. Het onderwijs in tekstbegrip / leesvaardigheid zou dan gericht moeten zijn op de manier waarop teksten nu worden gemaakt. Dat hoeft niet uitsluitend, want kunnen lezen van papieren, lineaire teksten is ook een groot goed. Maar de meerderheid van de teksten zijn online teksten met hun eigen kenmerken en problemen.

Als we kijken naar de beschrijving van het nieuwe examen komen we echter geen enkele verwijzing tegen naar online teksten en online tekstbegrip. We nemen het voorbeeld van het VWO. VWO leerlingen moeten teksten kunnen begrijpen van referentieniveau 4F. Deze wordt als volgt omschreven:
Lezen zakelijke teksten. Algemene omschrijving 4F Kan een grote variatie aan teksten lezen over tal van onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard en kan die in detail begrijpen. Tekstkenmerken De teksten zijn complex en de structuur is niet altijd even duidelijk.

Als het over de keuze van de teksten gaat wordt gezegd:
Onderwerpen van de teksten. De kandidaten lezen teksten over onderwerpen van maatschappelijke aard. De teksten voor de havokandidaten zijn over het algemeen qua inhoud van een minder hoge abstractiegraad dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstkenmerken. De teksten zijn relatief complex, maar hebben een duidelijke structuur. De informatiedichtheid kan hoog zijn. De teksten die aan de havokandidaten worden aangeboden, zijn over het algemeen qua zinsbouw en woordkeuze minder ingewikkeld dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstsoorten. De kandidaten lezen informatieve, beschouwende en betogende teksten uit kranten en tijdschriften.

De keuze om alleen teksten te nemen uit kranten en tijdschriften met hun lineaire structuur en op geen enkele manier aandacht te besteden aan online teksten en tekstbegrip is is een keuze die past bij de twintigste eeuw, niet bij de eenentwintigste. Het is geen nieuw examen dat aansluit bij de eenentwintigste eeuw. De leerlingen worden hierdoor niet goed opgeleid voor deze 21ste eeuw. Er is nog heel veel te doen.

Tagged , , , . Bookmark the permalink.

11 Responses to Voorstel nieuw CSE Nederlands blijft 20ste eeuws

  1. jeroen says:

    lekker kort door de bocht klinkt niet als een compliment 😉
    ik zeg dat zeker de papieren teksten van belang zijn, maar dat het toch niet te verdedigen is dat online teksten nog steeds geheel niet in beeld zijn. en er zijn genoeg aanwijzingen dat leerlingen daar problemen mee hebben. er is ook onderzoek (zie ander blogbericht) waaruit blijkt dat meer dan 86% van de leerlingen als ze zelf de bronnen / teksten moeten uitzoeken internetbronnen kiezen. ik vind dat Nederlands het onderwijs in tekstbegrip moet uitbreiden. wij leiden op voor de maatschappij die sterk gedigitaliseerd is

  2. Iris says:

    @Jeroen, je hebt helemaal gelijk. Juist nu had deze stap genomen moeten worden!

  3. Pingback: Voorstel nieuw CSE Nederlands blijft 20ste eeuws « Blogcollectief Onderzoek Onderwijs

  4. Klaas Heemskerk says:

    Online teksten zijn vaak gewoon lineair en vragen om een tekstbegrip dat niet heel anders is dan offline tekstbegrip. Het bovenstaande blogbericht van Jeroen is daar een duidelijk voorbeeld van.

    Bovendien lezen leerlingen als ze een tekst echt willen begrijpen liever offline: http://facultysenate.stanford.edu/2008_2009/reports/SenD6159_prntVSonline_reading.pdf

    Het onderzoek waar Jeroen naar verwijst, gaat dan ook vooral over ‘digital literacy’ en ‘online reading’. Ik weet niet of je dat wel zo lichtvaardig kunt gelijkschakelen aan online tekstbegrip. Mijn inschatting is dat uit onderzoek vooral is gebleken dat leerlingen niet zozeer moeite hebben met het begrijpen van online teksten, maar met het navigeren in websites.

    Niet-lineaire clusters van teksten met meerdere auteurs die we niet kennen is niet typisch iets van deze eeuw – dat hadden we bijvoorbeeld zes eeuwen eerder ook al in het Gruuthuse handschrift. En toch kan ik dat met mijn lineaire leesvaardigheid prima aan.

  5. Alleen teksten uit kranten en tijdschriften? Geen aandacht besteden aan online teksten? Dat maakt dit voorstel echt twintigste eeuws … Online teksten kunnen echt wezenlijk anders zijn dan teksten op papier. Als voorbeeld noem ik de mogelijkheid tot inzoomen en uitzoomen. Met zulke mogelijkheden omgaan, en er niet door in de war raken: dat moeten leerlingen leren.

  6. Herma van den Brand says:

    Ik vind niet dat online-tekstbegrip (nu) opgenomen moet worden in het CE. Het kan ook niet, want scholen hebben niet de beschikking over zoveel computers.
    Ik vind wel dat wij, docenten Nederlands, in onze lessen aandacht moeten besteden aan het omgaan met online-teksten. Ik kijk dan ook uit naar de bevindingen van je onderzoek en doe daar graag aan mee als ik het kan inpassen in mijn programma.

  7. Hanneke Gerits says:

    Ik heb je blog over de examenteksten gelezen. Zelf heb ik voor mijn Master een klein onderzoekje naar leesvaardigheid gehouden. Ik vermoed niet dat er verschil is in het begrijpen en lezen van online en andere teksten. De vragen die de leerling zich moet stellen om tot begrip te komen zijn nl. hetzelfde. Moeilijke woorden analyseren, verbanden leggen etc. zijn activiteiten die ook bij online teksten van belang zijn.
    Een tekst op het net is ook lineair alleen niet op één pagina. De opbouw van een betoog is op het net niet anders dan op papier?
    Ben erg benieuwd naar je onderzoek.

  8. Jacques van den Oever says:

    Jeroen heeft natuurlijk gelijk als het gaat over de 21ste-eeuwse realiteit. Als we het principe van de normale functionaliteit, waar helemaal niks ouderwets aan is, in gedachten houden, dan zouden we ons moeten richten op de werkelijke online leesactiviteiten van leerlingen en daar op inspelen. Ik vrees echter dat er weinig teksten van niveau worden gelezen op het internet. Websites met veel tekst gelden beslist als ‘uncool’.
    Als er sprake is van teksten die er toe doen, willen mensen ze liever gedrukt voor zich hebben liggen, waardoor bijvoorbeeld kantoren zonder papier nooit van de grond zijn gekomen en studenten digitaal aangeboden syllabi massaal toch uitprinten. Ik vrees dus dat wij onze leerlingen voorlopig nog wel moeten lastigvallen met ouderwetse teksten, aangezien die vorm van lezen en analyseren dichter bij de realiteit van vervolgopleiding en beroepspraktijk staat. Niet helemaal normaal-functioneel, maar m.i. wel realistisch.

    • jeroen says:

      natuurlijk wil ik ook het onderwijs in tekstbegrip van offline / papieren teksten in het onderwijs houden. als je bijvoorbeeld kijkt naar PISA heeft nog steeds 18% van de leerlingen problemen met papieren teksten. en ik hoop ook dat papieren teksten en boeken altijd zullen blijven. dus in zoverre is dat nog steeds normaal functioneel (weet je nog Jacques: de colleges van Griffioen hierover)
      maar de categorie tekstsoorten breidt zich uit en online teksten zijn tegenwoordig overal en zelf dominant, dus moeten wij daar in het onderwijs mee aan de slag

  9. Jacques van den Oever says:

    Wellicht interessant voor deze discussie is het volgende hoofdredactioneel commentaar in de NRC van donderdag 21 februari 2013.

    Boeken van papier

    Niemand leest graag van het computerscherm. De Amerikaanse wetenschapper Jakob Nielsen vond er overtuigende aanwijzingen voor die door onderzoek van anderen werden bevestigd. Het hangt vermoedelijk samen met het flikkeren van het scherm en de hoek waaronder wordt gelezen. Afgezien daarvan gaat het lezen van een pc-scherm aanzienlijk langzamer dan een boek. Het lezen van tablets en e-readers wordt wél aangenaam gevonden, velen verkiezen dat zelfs boven het lezen van een boek. Maar ook dat gaat een stuk trager dan van papier, het scheelt tot 10,7 procent tijd.
    Hogeschool Inholland kondigt aan zich te ontdoen van de papieren bibliotheek en alleen al in dat licht is dat een drama. Voor onderzoek wordt veel gelezen. Nu stuurt deze school erop aan dat studenten en docenten daar in de nabije toekomst veel meer tijd aan zullen spenderen.
    Inholland spreekt vooruitstrevend over „een ander bibliotheekconcept”. De traditionele bibliotheek gaat dicht. De ruimte wordt anders benut en 145.000 boeken moeten in september 2015 weg zijn. Ze worden van de hand gedaan of gedumpt en zullen alleen nog digitaal toegankelijk zijn.
    Er is een vooralsnog niet opgelost beveiligingsprobleem: digitale content is nog steeds sterk onderhevig aan illegaal kopiëren en verspreiden. En het is niet duidelijk of alle uitgevers daadwerkelijk tot digitale edities willen overgaan. Inholland uit zich in gespierde taal. Het is allemaal waar en behoeft aandacht, maar „daarvoor hoef je geen hele bibliotheek in stand te houden”.
    De Nederlandse uitgevers wordt een „veranderende vraag in het onderwijs” voorgehouden. Voldoen ze niet snel genoeg aan de plannen van Inholland, dan ziet de hogeschool af van hun diensten en zal volstaan met studies in het Engels. Waarmee Inholland behalve het papieren boek ook de eigen taal naar de vuilnisbelt verwijst als hopeloos passé.
    De keuze voor elektronisch studiemateriaal staat iedereen vrij. Velen lezen en leren nog altijd liever van papier. Mag niet meer van Inholland – en dat kan niet.
    Het de deur uitdoen van de complete papieren bibliotheek is in de eerste plaats een rigoureuze bezuinigingsmaatregel. Maar wat scheelt in de kosten voor opslag, onderhoud en mankracht, wordt door Inholland opgedirkt tot een logische stap in modern bibliotheekbeheer en verkocht als een ontwikkeling die iedereen volkomen normaal moet vinden.
    Het lijkt een onbezonnen idee, dat nader onderzoek behoeft. Om te beginnen kan eens bestudeerd worden wat precies die vertraging veroorzaakt bij het elektronisch lezen.

Leave a Reply