Digitale geletterdheid en taalvaardigheid. De leraren Nederlands aan zet. LTM mei 2018

In Levende Talen Magazine nr. 4, mei 2018, verschijnt van mij een artikel Digitale  geletterdheid en taalvaardigheid. De leraren  Nederlands aan zet. Ik publiceer hier alvast een voorproefje met delen uit het artikel. Een appetizer, dus.

(…) De laatste tijd staat digitale geletterdheid sterk in de belangstelling. Maar het is een heel brede term, die soms verwarring geeft. Digitale geletterdheid is ook gewoon een uitbreiding van geletterdheid, kunnen lezen en schrijven, maar dan online. Hiervoor is traditioneel taalonderwijs niet voldoende.
Leerlingen geletterd maken is ons vak, dus hebben we een nieuwe uitdaging. In een eerder artikel in LTM in 2014 stelde ik: ‘Vrijwel alle informatie staat tegenwoordig online en je bent functioneel ongeletterd als je daar niet mee om kan gaan. (…) En omdat de school leerlingen voorbereidt op de maatschappij, ligt daar een opdracht voor ons. Maar dat doen we nog niet’ (Clemens, 2014, p. 4).
Het is inmiddels meer dan drie jaar verder, en er is veel gebeurd. De term digitale geletterdheid is
geïntroduceerd en de overheid, SLO en Kennisnet zijn druk bezig kaders te scheppen, informatie te
geven en leer- en ontwikkellijnen te maken.1 Het ministerie van Onderwijs heeft in het rapport Ons
onderwijs2032 duidelijk gemaakt dat digitale geletterdheid van groot belang is en in het curriculum
aandacht moet krijgen. Er is zelfs een apart domein voor geïntroduceerd, ‘Digitale Geletterdheid’.
Maar ook wordt expliciet naar het vak Nederlands verwezen: ‘Ook kritisch teksten lezen en bespreken
en leren omgaan met het steeds grotere aantal informatiebronnen verdienen meer aandacht. Digitale
teksten en beelden komen steeds vaker in de plaats van papieren tekstvormen en ook daar moeten
leerlingen vaardig mee kunnen omgaan’ (Platform Onderwijs2032, 2016, p. 30). Ook heeft de SLO in
een vakspecifieke trendanalyse geconstateerd dat digitale geletterdheid een noodzakelijke toevoeging
aan het curriculum van Nederlands moet zijn (SLO, 2015). (…)

De definitie
(…)

De uitdaging
Dit betekent dat we onze lessen moeten aanpassen. Gelukkig is er al wat hulp beschikbaar. Zo zijn er
voorstellen voor leerlijnen voor onderdelen van digitale geletterdheid, gepresenteerd door de SLO en
via Kennisnet. En sinds november vorig jaar heeft Kennisnet een Handboek digitale geletterdheid
gepubliceerd, waarin digitale geletterdheid en Nederlands ook aandacht krijgt (zie <bit.ly/ltm-dghb>).
Er wordt dus gewerkt aan vernieuwing, maar er is nog nauwelijks lesmateriaal of nieuwe didactiek. Er
zijn nog geen nieuwe kerndoelen, eindtermen en schoolboeken.
Dat betekent dat we zelf aan de slag moeten gaan. Ik heb ervaring met het werken met
docentontwikkelteams. Dit blijkt een zeer effectieve manier van professionaliseren (Voogt, Pieters &
Handelzalts, 2016). (…)

Een voorbeeld
Ik geef een voorbeeld van een school die ervoor heeft gekozen digitale geletterdheid geïntegreerd aan
te pakken. Wat doen ze, waarom en hoe (…)

De toekomst
Als uitvloeisel van Onderwijs2032 zijn er ontwikkelteams gestart van Curriculum.nu, waarin leraren,
schoolleiders en scholen zich bezighouden met de vraag wat leerlingen in het primair en voortgezet
onderwijs moeten kennen en kunnen. Met de opbrengst van dit ontwikkelproces zullen kerndoelen en
eindtermen worden geactualiseerd. Er is een ontwikkelteam voor Nederlands en voor Digitale
Geletterdheid. Ik hoop dat beide ontwikkelteams heel goed contact met elkaar houden, zodat delen
van digitale geletterdheid geïntegreerd gaan worden in het vak Nederlands en digitale geletterdheid
geen apart vak wordt. (…)
Vaak wordt de vraag gesteld: ‘Digitale geletterdheid is toch van belang voor al het leren bij alle
vakken, niet alleen bij Nederlands?’ Dat is helemaal waar. Toch ben ik ervoor om Nederlands het
voortouw te laten nemen. Geletterdheid is al een hoofddoelstelling van het vak Nederlands. Het
implementeren van digitale geletterdheid in het vak past mooi bij de wens om Nederlands beter aan te
laten sluiten op de moderne tijd, waarin de meeste communicatie zich online afspeelt. Bovendien
biedt het de kans om wat wij vroeger taalbeleid noemden nu vanzelf en zonder de last van die term
een vlucht te laten nemen.
(…) 

 

 

 

Onlinegeletterdheid: weten waar we over praten

Deze post verschijnt ook op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs
Nieuwe vormen van communicatie online vragen een nieuwe vorm van geletterdheid. Over de vraag wat dat precies is, vindt een hevige discussie plaats. We weten al genoeg om te kunnen constateren dat het gebruiken van informatie online nieuwe vaardigheden vraagt, dat leerlingen hier niet altijd goed in zijn en dat er nieuwe didactiek en materiaal nodig is om in het onderwijs hier aandacht aan te kunnen besteden. Dit is onderwerp van mijn promotieonderzoek.
Ik krijg vanwege mijn onderzoek naar online tekstbegrip regelmatig scholen aan de lijn die willen praten over hoe zij aandacht zouden kunnen besteden aan het begrijpen en gebruiken van online informatie. Ook anderen willen hierover in gesprek (CITO, lerarenopleidingen, uitgevers etc). De ‘sense of urgency’begint te komen, het is hot.
In de gesprekken zie ik dat er veel verwarring is. Een belangrijke reden daarvoor is dat er een Babylonische spraakverwarring is rond werken met internet en online informatie.  Hier sprak ik al over in oktober 2011 (!)  “Come, let us go down and confound their speech”. Maar het is de afgelopen jaren niet beter geworden. Een onduidelijke terminologie zit innovatie van onderwijs in de weg, is mijn stellige overtuiging. Ik praat vooral met talendocenten. Ik ben er zelf ook een.

Een van de beletselen om als (talen)docent na te denken over een uitbreiden van het curriculum is de onduidelijke definitie en verwarrende terminologiie. Het gaat om termen als: 21st century skills, digitale geletterdheid, ict-vaardigheden, mediavaardigheden en –wijsheid, informatievaardigheden, online tekstbegrip, het nieuwe lezen en nog veel meer. In de Engelstalige literatuur wordt de term literacy (geletterdheid) veel gebruikt, maar die term is verworden tot een synoniem van vaardigheid en dus slecht bruikbaar geworden (Belshaw, 2011). Een rapport van de KNAW (KNAW, 2012) heeft als titel Digitale Geletterdheid, maar die term wordt daar gebruikt als synoniem voor ICT-vaardigheid, waar docenten informatica mee aan de slag kunnen. De term Informatievaardigheden wordt ook veel gebruikt (Brand-Gruwel, S., & Walhout, J., 2010).

Ik pleit voor de termen onlinegeletterdheid en online tekstbegrip. Ik leg uit waarom. In gesprekken met (talen)docenten probeer ik consequent te blijven in mijn terminologie en aan te sluiten bij termen waar zij aan gewend zijn. In het talenonderwijs is de term geletterdheid bekend en dit is opgenomen in domeinen van het vak. Deze term omvat drie competenties: Lezen, Schrijven en Literaire competentie. Ik wil mij hier richten op de taalvaardigheidscomponenten, dus lezen en schrijven. Geletterdheid is een psycholinguistisch proces dat verschillende fasen omvat. Talendocenten hanteren als zij hierover praten meestal de hoofdfasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken. Binnen deze fasen worden verschillende vormen van taalkennis, taalvaardigheden en -strategieën opgenomen. In de eerste twee fasen gaat het vooral over leesvaardigheid / tekstbegrip en de laatste fase betreft online schrijven, met onderliggende taalkennis, deelvaardigheden en strategieën.

Het lezen en schrijven vindt tegenwoordig vooral via internet plaats, online dus. Voor het goed kunnen lezen en schrijven online wil ik dan ook de term onlinegeletterdheid hanteren, het (kunnen) lezen en schrijven online. Simple as that. Dit betekent een uitbreiding van de term en het domein dat wordt gehanteerd in talenonderwijs. Het is ook een duidelijk standpunt dat online geletterdheid bij talenonderwijs hoort en geen nieuw vak is, zoals informatievaardigheden of digitale geletterdheid, zoals gedefinieerd door de KNAW.  Bovengenoemde fasen komen overeen met wat in Engelstalig onderzoek Online Reading Comprehension wordt genoemd of de laatste jaren steeds vaker wel New Literacies ( Leu, 2013; OECD, 2011 ), en ook met de fasen die worden gehanteerd in de publikaties over informatievaardigheden.
Binnen online geletterdheid horen dan Online Tekstbegrip ( het begrijpen van online informatie) en Online Schrijfvaardigheid ( het communiceren via internet en digitale tools).

Ik gebruik de term online en niet digitaal. Het feit dat een tekst digitaal is niet zo belangrijk. Als een artikel integraal als PDF online wordt gezet is het niet veel anders dan de papieren variant en zijn de vaardigheden die je daarvoor nodig hebt ook vrijwel hetzelfde. Dit geldt ook voor e-boeken, meestal een exacte digitale kopie van een papieren boek. Wat ervoor zorgt dat online geletterdheid anders is, en dus een uitbreiding van het traditionele definitie van geletterdheid en tekstbegrip is dat veel online teksten helemaal niet lijken op papieren teksten. Het zijn nieuwe tekstsoorten met hun eigen, afwijkende kenmerken ( zie ook artikel in Levende Talen te verschijnen in het april/ meinummer). Voor die nieuwe tekstsoorten zijn nieuwe vaardigheden nodig. En die nieuwe vaardigheden vragen innovatie van het huidige onderwijs.

Ik hoop dat door iets preciezer te zijn met terminologie de discussie over wat we moeten doen makkelijker zal verlopen. We kunnen het dan sneller hebben om waar het om gaat, nieuwe vormen van taalvaardigheid onderwijzen. Daar hebben leerlingen in de huidige digitale netwerkmaatschappij recht op.

Brand-Gruwel, S., & Walhout, J. (2010). Informatievaardigheden voor leraren. Open Universiteit.
KNAW. (2012). Digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs (pp. 1–44). Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Leu, D. J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In N. J. Unrau, N. Unrau, D. Alvermann, & R. B. Ruddell (Eds.), Theoretical Models and Processes of Reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association. doi:10.1598/0710.42
OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing. doi:10.1787/9789264112995-en

Onderzoek Online Tekstbegrip: Stand van zaken en oproep docenten Nederlands

Vragenlijst online tekstbegrip gaat online per 4 november.
Mijn promotieonderzoek naar online tekstbegrip gaat naar de volgende fase. Ik ga nu mijn collega’s in den lande, docenten Nederlands bevragen: waarom gebeurt er niets, wat vind je  en wat kunnen we  doen. Voor verdere details zie de andere blogberichten over mijn promotieonderzoek. Antwoorden op veel gestelde vragen staan hier.
In het voorjaar hebben 85 docenten Nederlands meegedaan aan een pilot-onderzoek over Online Tekstbegrip door een vragenlijst in te vullen. Op 4 november gaat de uiteindelijke versie online. Ik vraag zoveel mogelijk  docenten Nederlands in het VO om mee te doen aan dit onderzoek. Je kan vanaf 18/11/13 rechtstreeks de vragenlijst invullen  Vul dit korte aanmeldingsformulier in als je nog niet mee hebt gedaan aan het pilot-onderzoek. Je krijgt na de herfstvakantie een persoonlijke uitnodiging met een link naar de vragenlijst. Hier staat een promotekstje die je aan collega’s kan geven. Als je al mee hebt gedaan, hoef je niets te doen, want dan sta je al op een lijst.
Hopelijk willen alle geliefde lezers van mijn blog mij helpen door, ook als je zelf geen docent Nederlands bent, zoveel mogelijk collega’s uit te nodigen mee te doen aan dit onderzoek. Een groep van 500 enthousiaste collega’s vinden moet toch kunnen ? Het komt het onderwijs ten goede, denk ik, als we online tekstbegrip in ons curriculum opnemen. Ik heb er veel vertrouwen in dat jullie en veel van jullie collega’s mee willen doen. Komende week zal ik nog wat eerste impressies van de pilotafname op mijn weblog met jullie delen.

Onderzoeksobject om input vragen: Slim of Stom?

[update 25/10/13] Het doet niet toe of het slim of stom was. Een vraag op deze wijze stellen levert niets op. Weer iets geleerd.
In het kader van mijn promotieonderzoek naar online tekstbegrip komt na de herfstvakantie Noord-Midden, op 1 november, een online vragenlijst online voor docenten Nederlands. Zie de oproep. De score is bijna 300 op 25/10/13.  Ik heb in het voorjaar een pilot survey gedaan en daar veel van geleerd. Ik de nieuwe versie van de vragenlijst bijna klaar. Nu vroeg ik mij af:  Waarom kan je niet vooraf de doelgroep, die ook het onderzoeksobject is, vragen wat zij zouden willen weten om te kunnen bepalen waarom wij/zij nog niets doen aan online tekstbegrip en wat we zouden kunnen doen om online tekstbegrip een serieuze plaats binnen het curriculum te laten krijgen. [Rustig lezen, de zin loopt goed. Tekstbegrip 😉Ik heb het ze dus zelf gevraagd. Het onderzoeksobject heeft invloed op het onderzoek waar ze later aan deelneemt. Is dit slim of is dit stom?
Hieronder staat de mail die de docenten die al aan hebben gegeven deel te willen nemen net hebben gekregen. Continue reading

Hoofdonderzoek Online Tekstbegrip: Doe mee!

Kijk voor veelgestelde vragen (waarom, hoe, voor wie planning etc.) op de FAQ-pagina
Update 20/03/13
 
Voor het hoofdonderzoek zijn na sluiting van de pilot op 16 maart alweer 19 nieuwe aanmeldingen binnen gekomen. Geweldig. Het wordt een mooi onderzoek, waar we allemaal wat aan hebben. Zegt het voort!
Pilot
In het voorjaar 2013 hebben 126 docenten Nederlands meegedaan aan een pilotonderzoek Online Tekstbegrip. De mogelijkheid om deel te nemen is gesloten per 16 februari. De gegevens worden nu geanalyseerd. Meer informatie over de pilot vindt u hier.
Op grond hiervan komt er een hoofdonderzoek vlak voor of vlak na de zomervakantie. Ik nodig zoveel mogelijk docenten Nederlands in het VO uit zich aan te melden als belangstellende. U kunt zich via dit formulier opgeven. Als de vragenlijst online gaat, krijgt u persoonlijk via de mail een uitnodiging.
De collega’s die al aan de pilot hebben deelgenomen hoeven dit niet nogmaals te doen. Zij worden automatisch uitgenodigd. Haal ook uw collega’s over om mee te doen. Het is belangrijk dat het een grote steekproef wordt van docenten Nederlands, zodat we een representatief beeld krijgen van de stand van zaken.
Dit is een onderdeel van mijn promotieonderzoek. Meer over dit promotieonderzoek vindt u hier. Naast mijn werk als onderzoeker werk ik als docent Nederlands in het VO.

 

66.67% !! Pilot Survey Online Tekstbegrip

Pilot is gesloten. Update 16/03/13
Op 16 maart heb ik zoals aangekondigd de mogelijkheid om vragenlijsten in te sturen gesloten. Ik heb de 6 onvolledige vragenlijsten verwijderd. Dan heb ik exact 2/3 van de verzonden vragenlijsten terug. Een respons van 66,67% is heel hoog. Dank jullie hartelijk hiervoor. Er hebben zich 126 mensen opgegegeven, 84 hebben geantwoord en 42 niet.  

Vervolg.
Ik ga nu eerst de pilotversie analyseren. Op grond hiervan wordt een nieuwe uiteindelijke versie gemaakt. Hiervoor wil ik weer alle docenten Nederlands uitnodigen. Ik wil voor deze versie nog meer collega’s bevragen.
De collega’s die al hebben meegedaan met de pilotversie blijven op de lijst staan en hoeven zich dus niet opnieuw op te geven. De meeste van hen hebben eengegeven ook met de uiteindelijke versie mee te willen doen. Hartelijk dank hiervoor. Nodig ook collega’s uit.
Verder nodig ik alle andere collega’s Nederlands uit zich in te schijven voor de hoofdversie die voor de zomervakentie is gepland.
Probeer ook collega’s te wijzen op dit voor ons interessante onderzoek naar online tekstbegrip. Ik maak een nieuw formulier om je aan te melden.

14/3/13 De deadlines voor nieuwe deelnemers is inmiddels verstreken. Je kunt je nog wel opgeven voor het hoofdonderzoek, dat waarschijnlijk eind april wordt uitgevoerd. De deadline voor het invullen van de vragenlijst is nog steeds donderdag 14 maart, middernacht.
Historie:
Op 25 februari j.l.  is de vragenlijst voor pilot online gegaan. Docenten Nederlands VO die zich hadden opgegeven hebben een persoonlijke link gekregen. Er komen  nog aanvragen binnen via het formulier ( zie verderop).
Herinnering: Op 08/03 is een herinnering gestuurd naar de deelnemers die de vragenlijst nog niet hebben ingestuurd. Dit helpt.  Als u dit leest en de vragenlijst nog niet hebt ingevuld, graag invullen en retourneren. Dank alvast. De verdeling over vmbo/havo/vwo is nu goed. Ik zoek nog docenten uit de onderbouw HV. Je kan je nog opgeven  via dit formulier.

Update 25/2/13
De survey / vragenlijst over Online Tekstbegrip is vandaag (25/2/13) online gezet! Bedankt voor jullie geduld. Deze vragenlijst is een pilotversie, dus commentaar is hierbij heel heel welkom. Die kan je me in de vragenlijst laten weten.
Het onderzoek is in eerste instantie bedoeld voor docenten Nederlands uit het VO.
Er zijn nu ruim 120 aanmeldingen, waarvan 91 aanmeldingen van docenten uit het VO. Een iets groter aantal docenten VO is welkom, met name docenten Nederlands uit de onderbouw. Spreek nog wat collega’s aan. Iedereen kan zich aanmelden  je via dit formulier . Als je je hebt aangemeld krijg je een uitnodiging mee te doen met een link naar de vragenlijst.
Kijk voor meer details op de FAQ pagina.

Update 16/2/13
Op 16/2/13 zijn er 123 belangstellenden om mee te doen aan het onderzoek. Daar ben ik heel blij mee. 101 daarvan zijn docenten Nederlands. Bijna 70% geeft les in de bovenbouw van het VO  en 30 % in de onderbouw. Verder is de verdeling: 20 VMBO,  28 HAVO, 24 VWO, 8 MBO. Er zouden iets meer mensen uit de onderbouw en het VMBO bij kunnen om een nog betere afspiegeling te vormen.  Mijn onderzoek richt zich in eerste instantie op het VO.

Op 15 februari 2013 is een mail uitgegaan naar diegenen die zich hebben opgegeven voor het online onderzoek middels een vragenlijst. Als je je wel hebt opgegeven maar geen mail hebt ontvangen neem dan met mij contact op. Vier mailadressen werkten niet meer.

De planning om in  januari de testversie van de vragenlijst over online tekstbegrip uit te doen gaan is iets uitgesteld. De vragenlijst gaat uit aan eind van de week na de voorjaarsvakantie ( dus eind van de week van 25 februari) naar de mensen die zich hebben opgegeven of zich nu nog willen aansluiten.  Er hebben zich tot nu toe 118 mensen opgegeven, waaronder 99 docenten. Dat is mooi.

Ik wil voor deze versie alleen docenten uitnodigen. Dat is de echte doelgroep. Dat zijn er nu dus bijna 100. De bovenbouw is oververtegenwoordigd (70%), dus ik nodig vooral onderbouwdocenten uit zich nog aan te melden.  Meld je via dit formulier  aan (deze versie is gesloten). Kijk voor meer details op de FAQ pagina.

Op 24 september 2012 deed ik een oproep doet aan docenten  om mee te doen aan onderzoek naar online tekstbegrip. Ik gebruikte daarbij de social media ( twitter, Facebook, Google+ ) mijn blog (daar bent u nu) en emails aan mensen in netwerken als de community Nederlands en mijn privénetwerken. De oproep is, behalve op mijn edublog ( hier dus), ook geplaatst op Kennisnet-VO en op de Nieuwsblog Nederlands . Waarvoor dank.
De aanmelding loopt goed, waarvoor alvast mijn dank aan al die collega’s die ook belangstelling hebben voor online tekstbegrip en zich misschien, net als ik, zorgen maken dat leerlingen hiermee nog niet goed genoeg worden geholpen in het VO. Ik hoop op nog meer belangstellenden. Ik wil met een mooie doorsnede van vakgenoten in gesprek.  Meld je via dit formulier  aan.

Digitale geletterdheid is populair en een buzzword

Anderhalf jaar geleden schreef ik over de terminologische verwarring die er is rondom digitale vaardigheden. Bij de start van mijn promotieonderzoek naar online tekstbegrip gebruikte ik nog de term digitale geletterdheid. Dat sloeg toen niet aan.
Maar tegenwoordig is deze term populair en wordt ten pas en onpas gebruikt. Veel aandacht hebben in elk geval het rapport van de NAW en een toespraak van Neeli Kroes gekregen. Dit heeft in elk geval als voordeel dat het onderwerp nu echt in beeld is. Zie het laatste nummer van Didactief, waar ik ook met 100 woorden aanwezig ben. Binnenkort schrijf ik een uitgebreidere beschouwing hierover.
didactief0313

Voorstel nieuw CSE Nederlands blijft 20ste eeuws

Vanmorgen kreeg ik een uitnodiging om als iemand uit ‘het veld’ mijn oordeel te geven over aanpassingen in het CSE voor HAVO en VWO vanaf 2015. Dat is een positieve actie van het College voor Examens (CvE). De docent die het moet doen, moet natuurlijk om zijn/ haar mening worden gevraagd.
Ik kreeg de uitnodiging via Levende talen die niet geheel neutraal het verzoek zo formuleerde ” Mede naar aanleiding van de discussiebijeenkomst die we vorig jaar als vakvereniging hebben georganiseerd, heeft het College voor Examens besloten het examen Nederlands voor havo en vwo aan te passen. Zo wordt tot vreugde van velen de geleide samenvatopdracht geschrapt. In de concept-syllabus leest u wat daarvoor in de plaats komt.”

Ik heb me direct opgegeven en de conceptsyllabi gedownload. Wat ik daar aantrof was helaas wat ik had verwacht. De aanpassingen zijn vooral ingegeven door de wens nog betrouwbaarder te beoordelen, maar de validiteit van het examen is volgens mij slecht. Het is een examen uit de twintigste eeuw, we toetsen geen 21st century skills.
De verandering betreft een aanpassing van het gedeelte Leesvaardigheid, waarvan een deel bestond uit een (geleide) samenvatting.
Om met het positieve te beginnen: Ik ben het eens met de beslissing de manier waarop dit nu wordt getoetst te veranderen. Het is geenszins (ecologisch) valide als bij de opdracht tot het maken van een samenvatting de inhoudselementen die in die samenvatting voor moeten komen al vooraf zijn gegeven. In de wereld buiten de school zal je zoiets nooit tegenkomen en de vaardigheid een tekst samen te vatten wordt daar m.i. niet door getoetst. De beslissing dit zo te toetsen is louter ingegeven door de grote nadruk die er bij toetsen wordt gelegd op betrouwbaarheid. Zo kijkt het makkelijk na en iedereen komt ongeveer op hetzelfde cijfer uit. Betrouwbaarheid ‘rules’.

Nu het punt waar ik veel bezwaar tegen heb. Zoals lezers van deze edublog weten doe ik onderzoek naar online tekstbegrip. Kort samengevat doe ik dat omdat (1) tegenwoordig (in de 21ste eeuw) de meeste teksten online staan en online worden gelezen, (2) deze teksten (meestal hyperteksten) andere kenmerken hebben dan offline teksten: ze hebben een andere structuur, zijn niet lineair opgebouwd, zijn niet statisch, maar veranderend, zijn vaak een cluster van teksten ipv een enkele tekst, hebben niet altijd een aanwijsbare auteur etc., (3) we uit grootschalig onderzoek (PISA, ORCA) weten dat leerlingen problemen hebben met het begrijpen van online teksten. Ook weten we dat leerlingen nauwelijks gebruik maken van papieren teksten, geen papieren kranten en tijdschriften lezen en dat de maatschappij ook vooral communiceert via online teksten.

Een misschien ouderwetse gedachte is dat onderwijs normaal-functioneel is, zoals Ten Brinke het in 1976 formuleerde. De school bereidt de leerling voor op de maatschappij buiten de school. Het onderwijs in tekstbegrip / leesvaardigheid zou dan gericht moeten zijn op de manier waarop teksten nu worden gemaakt. Dat hoeft niet uitsluitend, want kunnen lezen van papieren, lineaire teksten is ook een groot goed. Maar de meerderheid van de teksten zijn online teksten met hun eigen kenmerken en problemen.

Als we kijken naar de beschrijving van het nieuwe examen komen we echter geen enkele verwijzing tegen naar online teksten en online tekstbegrip. We nemen het voorbeeld van het VWO. VWO leerlingen moeten teksten kunnen begrijpen van referentieniveau 4F. Deze wordt als volgt omschreven:
Lezen zakelijke teksten. Algemene omschrijving 4F Kan een grote variatie aan teksten lezen over tal van onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard en kan die in detail begrijpen. Tekstkenmerken De teksten zijn complex en de structuur is niet altijd even duidelijk.

Als het over de keuze van de teksten gaat wordt gezegd:
Onderwerpen van de teksten. De kandidaten lezen teksten over onderwerpen van maatschappelijke aard. De teksten voor de havokandidaten zijn over het algemeen qua inhoud van een minder hoge abstractiegraad dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstkenmerken. De teksten zijn relatief complex, maar hebben een duidelijke structuur. De informatiedichtheid kan hoog zijn. De teksten die aan de havokandidaten worden aangeboden, zijn over het algemeen qua zinsbouw en woordkeuze minder ingewikkeld dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstsoorten. De kandidaten lezen informatieve, beschouwende en betogende teksten uit kranten en tijdschriften.

De keuze om alleen teksten te nemen uit kranten en tijdschriften met hun lineaire structuur en op geen enkele manier aandacht te besteden aan online teksten en tekstbegrip is is een keuze die past bij de twintigste eeuw, niet bij de eenentwintigste. Het is geen nieuw examen dat aansluit bij de eenentwintigste eeuw. De leerlingen worden hierdoor niet goed opgeleid voor deze 21ste eeuw. Er is nog heel veel te doen.

Mediawijsheid en Denkvaardigheden? Geen nieuwe vakken aub!

Ik las net een blog van Patrick Koning, waarin hij zegt ” Bij de evaluatie van de workshop kreeg ik het boekje: “Slimmerkunde” mee als voorbeeld van wat Malmberg toe nu toe gedaan heeft op het gebied van sociale media. Een leuke methode waarin de vakken Mediawijsheid en Denkvaardigheden samenkomen. Ik ben erg benieuwd naar ervaringen van deze methode, omdat ik er tot nu toe nog weinig over gehoord had. ”
De vakken Mediawijsheid en Denkvaardigheden ?? Alsjeblieft niet. We weten van de problemen die we al hebben met transfer tussen vakken, die met name in het VO zo gescheiden zijn en de moeite die wij als docenten hebben om de samenhang duidelijk te maken. Ook herinner ik mij de moeite die we hebben gedaan om Studievaardigheden of Leervaardigheden ergens apart in het rooster te zetten. Het is niets geworden. Op mijn school is het boekje Slimmerkunde een keer gegeven aan de mentoren van de onderbouw ‘omdat het wel leuk was’. De kinderen zijn er niet slimmer van geworden.
Graag veel meer integratie en vele minder uitsplitsen, svp. Gebruik media(wijsheid) en goed kunnen denken bij het leren van inhoud en niet apart!

Online tekstbegrip, taalbeleid en mediawijsheid

Op mijn blog Nederlands en Mediawijsheid moeten trouwen die op deze Edublog verscheen kwamen veel reacties. Veel reacties vonden ook dat Online Tekstbegrip aandacht moet krijgen in het onderwijs. Maar waar dan? Daar waren we het niet altijd eens: hoort het primair bij Nederlands, bij taalbeleid bij alle vakken of hoe zit het eigenlijk. Hier wil ik wat verder op doordenken.
Een van de reacties was van Margreet vd Berg die zei dat  ” mediawijsheid geen huwelijk aangaat met Nederlands, maar dat mediawijsheid er een harem op na gaat houden”. Hierdoor geïnspireerd ben ik de relatiemogelijkheden verder gaan onderzoeken en kwam op de blog op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs tot de variant Nederlands als sultan in de harem. Een tweede interessante reactie is van Marijke Kaatee op het Blogcollectief Onderwijs en Onderzoek waarin zij stelt dat tekstbegrip en taalbeleid geïntegreerd zou moeten zijn in alle vakken. Hier ben ik het mee eens. Maar zij stelt ook dat wij de manier waarop wij al leesstrategieën aanleren bij Nederlands ook kunnen gebruiken bij online teksten en dat het een kwestie is van andere teksten gebruiken. Daar ben ik het geheel niet mee eens. Nederlands besteedt nog geen aandacht aan online tekstbegrip, maar weet ook niet hoe dat moet. En dat is niet hetzelfde doen, maar dan met online teksten. Zoals ik al eerder betoogde zijn online teksten fundamenteel anders dan lineaire teksten op papier.

In principe vind ik dat tekstbegrip een fundamentele vaardigheid is die overal aandacht moet krijgen. Dat betekent dat we nog meer energie moeten steken in taalbeleid op school. Mijn ervaring van de laatste 20 jaar en ook recent bij het kijken naar de problemen die het op mijn eigen school geeft om dat voor elkaar te krijgen, zorgt ervoor dat ik zeg: Ja, het is een onderdeel van taalbeleid, maar het moet primair aandacht krijgen bij Nederlands, waar tekstbegrip een domein / vakonderdeel is. Een tegenargument is dat er door de doorgeschoten systeemscheiding op het VO waar de scheiding van de vakken nog heel groot is, er geen transfer zal zijn. Ook dat is waar, maar we moeten ergens beginnen.

Waarom ik het vak Nederlands benadruk is, omdat binnen dat vak geen enkele aandacht is voor online teksten en online tekstbegrip, noch in de eindtermen en referentieniveaus, noch in de toetsen en lesmaterialen. Binnen de voorstellen van Informatievaardigheden wordt ten onrechte gedacht dat we het begrijpen van online teksten als preliminaire vaardigheid kunnen beschouwen. Dit is een misverstand. De aandacht gaat bij Mediawijsheid vooral uit naar goed zoeken, beoordelen van bronnen, communiceren online en privacykwesties. Dit vind ik allemaal ook heel belangrijk en daarbij zouden Mediavaardigheid en Nederlands veel meer samen moeten werken. Daarover later meer.

Verder is er nog veel meer te doen bij Nederlands om de leerlingen voor te bereiden op het worden van een kritische burger in de digitale wereld. Een paar voorbeelden. Bij het onderdeel Documenteren (wordt in schoolboeken vaak apart gezet)  aandacht besteden aan zoeken en beoordelen van bronnen. Bij het onderdeel Argumenteren en Kritisch lezen ( vaak ook als aparte cursus in schoolboeken) aandacht besteden aan Kritische lezen en Redeneren. Bij Schrijven aandacht besteden aan online schijven / communiceren ( het is een gotspe dat leerlingen nog steeds alleen maar sollicitatiebrieven leren schrijven op de ouderwetse manier). etc.

Een ander punt is dat ik het gevaarlijk zou vinden als informatievaardigheden en mediawijsheid nieuwe vakken gaan worden en dan ergens daarbinnen online tekstbegrip een plaats heeft. Het is onduidelijk wie dat vak zou gaan geven en of hij/zij expertise heeft in (online) tekstbegrip.

Eigenlijk vind ik dat alles dat wordt gedaan bij mediawijsheid in brede zin ( dus ook online tekstbegrip) uiteindelijk ook geïntegreerd zou moeten worden aangepakt.
Dit lijkt in tegenspraak te zijn met dat ik het aanleren van online tekstbegrip een primaire taak van Nederlands noemde. Maar dat vind ik niet. Er is sprake van parallelle processen. Ik vind dat (online) tekstbegrip en het onderwijs daarin bij Nederlands het meeste aandacht en tijd zou kunnen krijgen. En dat daar de expertise op het gebied van tekstbegrip zou moeten worden gevonden. Ik geeft toe dat dat misschien soms een te zonnige blik op de expertise van de collega’s Nederlands is. Maar expertise op het gebied van Online Tekstbegrip moet nog worden aangeleerd.
Daarna en daarnaast moet het natuurlijk aandacht krijgen in alle vakken. Dat is taalbeleid.

Eigenlijk vind ik dus dat Online Tekstbegrip snel aandacht moet krijgen in het onderwijs, dat we, kijkend naar de praktijk, Nederlands hier eerst op moeten aanspreken. Verder valt er ook nog veel meer te verbeteren aan het vak. Verder ben ik van mening: er moet veel meer energie worden gestoken in taalbeleid. Ik heb gezegd.