Lezen 2016: een driemaster of driedubbel spiegelei. Samen aan het werk. [update]

 

schermafdruk-2016-10-09-19-41-08Lezen is tegenwoordig een driemaster. Dat betekent dat de lezer meer moet kunnen dan in de tijd van de eenmaster, die we in onze schoolboeken zien rondvaren. De dominante manier waarop informatie wordt gedeeld is via internet, dus online. Vaardigheden die leerlingen leren bij onderwijs in tekstbegrip zijn niet voldoende om geletterd te zijn op internet (Coiro & Moore, 2012; Clemens, 2014). Het gaat hier dus niet om lezen op het scherm (Driessen, 2013; Stichting Lezen, 2016), maar om het begrijpen en gebruiken van nieuwe tekstsoorten en manieren van communicatie online, door mij onlinegeletterdheid genoemd. Dus we moeten aan de slag. En dat gebeurt steeds meer, gelukkig.

De teksten zijn sterk veranderd. Digitale bronnen/ tekstsoorten verschillen sterk van de lineaire inleiding-kern-slot teksten die we nu vooral gebruiken in het onderwijs. Online teksten zijn meestal niet lineair, maar hyperteksten, multimediaal, steeds veranderend en met vaak onduidelijke auteurs.
De lees- en leertaken van lezers worden steeds complexer en digitaler. Op school moeten leerlingen steeds vaker onderzoek doen voor grotere opdrachten waarvoor ze in staat moeten zijn bronnen te zoeken en vinden, deze bronnen te beoordelen op deugdelijkheid en bruikbaarheid, deze bronnen gericht lezen om antwoord te krijgen op hun onderzoeksvraag, de antwoorden systematisch op te slaan en deze bronnen te synthetiseren/ samenvoegen in een eigen tekst en daarna hun bevindingen te delen met anderen op allerlei manieren, ook online. Hierin zitten veel nieuwe vaardigheden als goed gebruiken van zoekmachines, wordt er nog meer beroep gedaan op metacognitieve vaardigheden (zelfsturing, gericht lezen) en zijn de dingen die zij nu leren bij vaardigheden, zoals kritisch lezen, niet meer voldoende bij kritisch lezen van online informatie. Veel leerlingen zijn daar niet goed in. We zien ook dat de overheid en het bedrijfsleven die vaardigheid verwacht van de burger: betalen belasting moet online, de overheid communiceert met ons via ons persoonlijk dossier en om een baan te krijgen moet je je goed kunnen presenteren via allerlei digitale kanalen.

Waar hoort onlinegeletterdheid in het curriculum thuis? Mijns inziens is het in elk geval een geïntegreerd onderdeel van Nederlands. En – maar dan hebben we het over een 21e eeuwse versie van taalbeleid- hoort het natuurlijk bij alle vakken aandacht te krijgen. De definitie van geletterdheid moet worden uitgebreid en onlinegeletterdheid moet daarin geïntegreerd aandacht krijgen. Veel aandacht. Van alle docenten.
Gelukkig sta ik met deze gedachte  niet alleen. De SLO zegt in haar rapport Curriculumspiegel 2015 Deel B: vakspecifieke trendanalyse het volgende “Om problemen van verkaveling en eenzijdig toetsen aan te pakken, wordt de laatste jaren sterk gepleit voor ontkaveling van het onderwijs Nederlands, ofwel voor geïntegreerd taalonderwijs. Daaronder verstaan we taalonderwijs waarin leerlingen vaardigheden (lezen, schrijven, spreken, luisteren) en kennis over taal (spelling, woordenschat, grammatica/taalbeschouwing) niet in cursorische deelleergangen maar in onderlinge samenhang verwerven. Hierbij staan de taaltaken die leerlingen uitvoeren centraal. Een taaltaak is een realistische taak in een zo authentiek mogelijke context die moet leiden tot een concreet resultaat of product. Ook taaltaken die belangrijk zijn in 21e eeuwse gedigitaliseerde communicatie horen hierbij, zoals het omgaan met digitale bronnen, het lezen en schrijven van webteksten en het gebruik van korte tekstberichten. Bij het uitvoeren van taaltaken komen verschillende taalvaardigheden geïntegreerd aan de orde (curs. Auteur).”. (SLO, 2015). In een andere publicatie van SLO, Aanwijzingen voor een nieuw leerplankader Nederlands vo (van der Leeuw, Meestringa, & van Silfhout, 2015), wordt ook aandacht besteed aan onlinegeletterdheid en integratie. De auteurs pleiten ervoor dat er meer aandacht moet komen voor nieuwe ontwikkelingen zoals “online geletterdheid, aandacht voor gamen, hyperteksten, mixed media”. En geven aan dat we “geen nieuwe domeinen [moeten] ontwikkelen zoals digitale vaardigheden. (van der Leeuw et al., 2015).
Gelukkig begint de overheid het belang van een goede beheersing van onlinegeletterdheid ook te beseffen. In het eindrapport Onderwijs2032 wordt op twee plaatsen gesproken over onlinegeletterdheid. Bij Nederlands en in de paragraaf Digitale Geletterdheid. Bij Nederlands wordt gezegd “ Ook kritisch teksten lezen en bespreken en leren omgaan met het steeds grotere aantal informatiebronnen verdienen meer aandacht. Digitale teksten en beelden komen steeds vaker in de plaats van papieren tekstvormen en ook daar moeten leerlingen vaardig mee kunnen omgaan. Een digitale tekst lees en schrijf je anders dan een tekst op papier en om via filmpjes informatie te kunnen verwerven moet je begrijpend kunnen kijken en luisteren.” (Schnabel, 2016)p. 30.  Onder het kopje Digitale Geletterdheid worden 4 verschillende dingen verstaan. Wat bij informatievaardigheden staat valt voor een groot deel samen met de kennis en vaardigheden van onlinegeletterdheid. Maar dit wordt als apart

Hoe kunnen we deze uitdaging aanpakken?  De inhoud van wat wordt geleerd en onderwezen m.b.t. geletterdheid moet worden uitgebreid ten opzichte wat er nu in kerndoelen, eindtermen en schoolboeken staat en, zolang er nog niets in het beschikbare lesmateriaal staat, gaan we dat samen maken. Dat doe ik de afgelopen jaren met steeds meer scholen, leraren en studenten (zie http://bit.ly/onletishot).
Het probleem is dat er nog niet zoveel lesmateriaal en didactiek direct ter beschikking is in Nederland. We kunnen dan wachten op de lange weg: Nieuwe inzichten en regels overheid, aanpassen eindtermen en referentieniveaus, aanpassen schoolboeken. Maar dit duurt zekere 5 jaar, als je optimistisch bent.
Dus propageer ik ook de korte weg te kiezen: zelf doen, de power of the crowd gebruiken, de uitdaging aangaan. Dus: in met leraren, docent-ontwikkelteams (op school en landelijk) aan het werk met zelf ontwerpen van lessen en didactiek en het onderzoeken van de effectiviteit daarvan.
Dit gebeurt al enige tijd, dus er is al materiaal voorhanden en de ontwikkelteams/ leraren maken steeds meer zelf. Deze uitkomsten wil ik steeds meer gaan delen met mensen die zelf ook willen bijdragen aan nieuwe inzichten en materiaal. Neem contact op als je je aangesproken voelt. In een volgend stuk zal ik voorbeelden geven van ontwikkeld materiaal en resultaten. Het kan, als we het willen.

Waarom de driemaster of dubbel spiegelei in de titel? Afflerbach, de laatste jaren vaan samen met Cho, heeft veel onderzoek gedaan naar leesvaardigheid. Een van de onderzoeken  is een meta-onderzoek waarin gekeken wordt waar onderzoek mbt lezen zich vanaf 1995 tot 2011 op heeft gericht (Afflerbach & Cho, 2010; Cho & Afflerbach, 2015; “Determining and describing reading strategies: Internet and traditional forms of reading,” 2010). We zien dat er eerst vooral onderzoek werd gedaan naar de basisvaardigheden van lezen, dat zo’n 15 jaar geleden de focus ook werd gericht op de aanvullende vaardigheden die nodig zijn om informatie uit meerdere teksten te combineren (synthese-vaardigheid) en dat het laatste decennium onlinegeletterdheid het meeste aandacht krijgt, omdat daar weer nieuwe vaardigheden voor nodig zijn. Dus het schip leesvaardigheid heeft tegenwoordig drie masten.
Lezen 1: basisvaardigheden van begrijpend lezen; traditioneel kern van curriculum; taalvaardigheden en metacognitieve vaardigheden/ strategieën. Met deze vaardigheden kan je op de binnenwateren varen. De lineaire tekst waarvan we meestal nog kunnen zeggen dat hij een inleiding, kern en slot heeft. Voorbeelden: samenhang binnen tekst, voorkennis inzetten, alinea-verbanden, functie tekstdelen. De nadruk ligt vaak op de betekenis die de schrijver in de tekst heeft gelegd.
Lezen 2: Meervoudige teksten. Combineren van meerdere teksten; hogere orde vaardigheid synthetiseren; relatie met curriculum en lesmateriaal. Hiermee kom je al in de grotere wateren van binnen- en buitenland. Voorbeelden: tekst 1 relateren aan tekst 2 en de overeenkomsten en verschillen interpreteren, gericht verschillende informatie halen uit meerdere teksten, voorkennis uit een tekst gebruiken bij het lezen van een tweede tekst, beoordelen van bruikbaarheid van een tekst ten opzichte van de andere. Hier moet een lezer al meer een eigen tekst construeren uit meerdere informatiebronnen.
Lezen 3: Onlinegeletterdheid. Verschillende studies hebben succesvol leesgedrag op internet bestudeerd. Een succesvolle lezer maakt strategische beslissingen welke teksten te lezen en in welke volgorde, gestuurd door een lees- of leervraag. Afflerbach en Cho noemen dit het proces van ‘realizing and constructing potential texts’ . Een lezer construeert, gebruik makend van verschillende bronnen, zijn eigen tekst (Afflerbach & Cho, 2010; Cho & Afflerbach, 2015). Goede online lezers navigeren op internet gestuurd door een leervraag, monitoren hun leesproces, stellen zichzelf vragen, maken beslissingen over bruikbaarheid en deugdelijkheid, en bouwen zo een individuele leesroute. Er zijn nieuwe vaardigheden en strategieën betrokken bij dit proces van het verkennen en lezen van informatie online, zoals zoeken en vinden van bruikbare informatie, kritisch beoordelen op bruikbaarheid en deugdelijkheid van bronnen, kiezen welke deelinformatie bruikbaar is, en het synthetiseren van deze informatie (Donald J Leu, Kinzer, Coiro, Castek, & Henry, 2013). Daarnaast vraagt het vaardigheden dit ook online te communiceren

Als je alle drie masten goed hebt opgetuigd, kan je de grote oceaan van het internet ook bevaren en nieuwe uitdagingen aan. Je kan dan alle wateren bevaren en bent voorbereid op de maatschappij van tegenwoordig. Dit betekent dat wij in staat moeten zijn om, als we leerlingen willen leren alle informatie goed te begrijpen en gebruiken, we in staat moeten zijn de zeilen van alle drie masten in te zetten. We moeten in ons curriculum dus naast traditioneel tekstbegrip ook aandacht besteden aan werken met meerdere teksten en aan onlinegeletterdheid.
Het alternatieve beeld van spiegelei gebruik ik om aan te geven dat er een uitbreiding plaatsvindt. Lezen 1 is de eerste ei of rondje, Lezen 2 komt daar omheen en Lezen 3 daar weer omheen. De vaardigheden omsluiten elkaar. Dat betekent dat bij lezen 3 zijn de vaardigheden van lezen 1 en 2 ook nodig, maar het wordt complexer en er worden nieuwe vaardigheden en kennis aan toegevoegd.

Afflerbach, P., & Cho, B.-Y. (2010). Determining and describing reading Strategies. In W. Schneider & H. S. Waters (Eds.), Metacognition, Strategy Use, and Instruction (pp. 201–225). New York: Guilford Press.

Cho, B.-Y., & Afflerbach, P. (2015). Reading on the Internet. Journal of Adolescent & Adult Literacy58(6), 504–517.

Clemens, J. (2014). Online tekstbegrip en online geletterdheid. Het nieuwe lezen, anders bekeken. Levende Talen Magazine4(mei 2014).

Coiro, J., & Moore, D. W. (2012). New Literacies and Adolescent Learners: An Interview With Julie Coiro. Journal of Adolescent & Adult Literacy55(6), 551–553.

Driessen, M. (2013). Het nieuwe lezen. Levende Talen Magazine100(8), 4–8.

Donald J Leu, J., Kinzer, C., Coiro, J., Castek, J., & Henry, L. A. (2013). New Literacies: A Dual-Level Theory of the Changing Nature of Literacy, Instruction, and Assessment. In R. B. Ruddell & D. Alvermann (Eds.), Theoretical models and processes of reading (6 ed., pp. 1150–1181). International Reading Association.

Schnabel, P. (2016). Ons onderwijs 2032. Eindadvies. Den Haag : Bureau Platform Onderwijs2032.

SLO. (2015). Curriculumspiegel Deel B: Vakspecifieke trend­analyse. Enschede: SLO.

Stichting Lezen. (2016). Leesmonitor – Het Magazine. Digitaal Lezen, Anders Lezen? Retrieved April 15, 2016, from http://www.lezen.nl/sites/default/files/Leesmonitor1-2016_lr.pdf

van der Leeuw, B., Meestringa, T., & van Silfhout, G. (2015). Aanwijzingen voor een nieuw leerplankader Nederlands vo (pp. 1–3). Enschede: SLO.

 

 

 

 

 

 

 

 

Key notes & Presentations 3rd Baltic Sea – 17th Nordic Literacy Conference

Ik ben lid van de IDEC (ook vertegenwoordiger van Nederlands daarin) en Fela (idem). In Augustus was ik op de 3rd Baltic Sea – 17th Nordic Literacy Conference in Turku, Finland. Ik deel even een blog dat ik heb geschreven voor de IDEC-site. Een eerste reeks key-notes en presentaties. Zie het origineel op de IDEC site, dat nog zal worden aangevuld.

The 3rd Baltic Sea – 17th Nordic Literacy Conference was a great succes. We will share experiences and photos later. In this blog we will share key notes and some of the presentations. Please download and read. Comments are very welcome.
This post is under construction. More presentations will follow. Please come back regularly.

  1. William G. Brozo Leaving No Boy Behind: Empowering Struggling and Disengaged Male Readers
  2. Sari Sulkunen Literacy – Action for the future
  3. Ariana-Stanca Văcărețu Literacy Projects Romanian RWCT Association
  4. J. McIntosh & T. Campbell Making Writing Irresistible: Inspiring Young Adolescent Writers.
  5. J. McIntosh & T. Campbell Making Writing Irresistible: Inspiring Young Adolescent Writers. List of Literature
  6. Jeroen Clemens Literacy in a digital age: a challenge for language teachers.
  7. Guðmundur B. Kristmundsson How can literacy education prepare young people for becoming an active independent citizen?
  8. William G. Brozo Renate Valtin Sari Sulkunen ELINET: Promoting Best Practices and Policies in Literacy across Europe
  9. Arne Trageton Creative digital writing (6-10 year olds) Writing to Read 1999 – 2016

Onlinegeletterdheid in het curriculum: positieve ontwikkelingen

eindrapport_onderwijs2032_download
Als je  vind dat onlinegeletterdheid veel meer aandacht zou moeten krijgen in het onderwijs, is er een aantal politieke ontwikkelingen die positief te duiden zijn.

1. Politieke ontwikkelingen: hoogste niveau, OCW
Ten eerste is het eindadvies onderwijs2032 gepubliceerd. Dat gaat over het hele onderwijs en daar zijn veel verschillende meningen over. OC&W ziet vooral de positieve reacties, maar in de media zien we ook veel kritische reacties, bijvoorbeeld  ‘Jan Kuitenbrouwer in de NRC Verbijsterend, hoe die Schnabel met clichés strooit.
Maar we zien wel dat onlinegeletterdheid nu wel in beeld komt als een belangrijk onderdeel van het onderwijs. In het eindraport staat bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 over de visie op toekomstbestendig (sic) onderwijs: “de leerling leert de kansen van de digitale wereld te benutten” en hij leert “hoe je digitale informatie kunt duiden en verwerken en hoe je omgaat met (digitale) media en beelden”. Dit valt samen met wat wij definiëren als onlinegeletterdheid. Dat onlinegeletterdheid expliciet wordt onderkend als belangrijk leerdoel helpt.

2. Politieke ontwikkelingen: tweede niveau: SLO. Het nieuwe curriculum
Een tweede positieve intwikkeling is dat de SLO in opdracht van het Ministerie van OCW en in het kader van Onderwijs 2032 in 2015 een vooronderzoek heeft uitgevoerd ten behoeve van een herijking en mogelijke aanpassing van het beoogde curriculum Nederlands. Er is een literatuuronderzoek uitgevoerd, er is een discussiebijeekomst geweest en een aantal experts zijn geraadpleegd, waar ik er een van ben. Download hier de publicatie Herziening Leerplankader Nederlands VO van SLO. Er worden veel manco’s geconstateerd, en een van de aanbevelingen is om meer onderzoek te doen naar nieuwe ontwikkelingen, “zoals online geletterdheid, aandacht voor gamen, hyperteksten, mixed media, maar geen nieuwe domeinen ontwikkelen zoals digitale vaardigheden bijvoorbeeld”. Dit sluit aan bij onze visie op het implementeren van onlinegeletterdheid, namelijk een noodzakelijke uitbreiding van geletterdheid, maar geïntegreerd en niet apart. Als onlinegeletterdheid expliciet onderdeel gaat uitmaken van de eindtermen, zorgt dit ervoor dat het ook in leermateriaal en het curriculum terecht komt.

Bottum-up: zelf aan de slag
Beide politieke ontwikkelingen zijn toe te juichen, maar geven nog geen oplossing op korte termijn. Daarvoor moeten de scholen, de leraren en de lerarenopleidingen aan de slag. Nadenken en zelf ontwikkelen. Daar zijn wij samen mee bezig: wat willen we met onlinegeletterdheid, wat doen we al, wat willen we ontwikkelen, met wie en wat hebben we daarvoor nodig? Kom ook naar de HSN conferentie en praat mee.

De toekomst: Curriculumontwikkelingen: zo kan het.
In de afgelopen 5 jaar zijn sommige landen serieus gaan nadenken over onlineletterdheid in het curriculum ). Vrij ver uitgewekt is de Common Core State Standards (CCSS) Initiative in Amerika. Dit zijn veplichte eindtermen voor alle vakken. In de CCSS worden nieuwe eindtermen vastgesteld waarbij onlinegeletterdheid (door Leu online research and comprehension genoemd) expliciet aandacht krijgt. Twee zaken zijn van belang “
1. An emphasis on higher   level thinking during reading and writing instruction;
2. A focus on acquiring skills in the new, digital literacies of online research and comprehension”. Voorbeelden van deze eindtermen zijn (R= Reading en W= Writing) : ”
AS-R 7. Integrate and evaluate content presented in diverse media and formats, including visually and quantitatively, as well as in words.
AS-W 8. Gather relevant information from multiple print and digital sources, assess the credibility and accuracy of each source, and integrate the information while avoiding plagiarism.”  Leu, D. J., Zawilinski, L., Forzani, E., & Timbrell, N. (2011). Best Practices in Teaching the New Literacies of Online Research and Comprehension. In L. M. Morrow & L. B. Gambrell (Eds.), Best Practices in Literacy Instruction (4 ed.). New York: Guilford Press. 
Vergelijkbare eindtermen worden bij alle vakken toegevoegd. Er is dus veel aandacht aan onlinegeletterdheid, maar het wordt ook geintegreerd aangepakt. Er is al een soort gedwongen taalbeleid op dit gebied. Dit is een mooie inspiratie voor Nederland. 
Als je dit uitgebreide artikel/ hoofdstuk van Leu e.a. zou willen lezen, neem contact op, dan stuur ik het.

Beide politieke ontwikkelingen zijn toe te juichen, maar geven nog geen oplossing op korte termijn. Daarvoor moeten de scholen, de leraren en de lerarenopleidinmgne aan de slag, goed nadenken over de vragen wat willen we met onlinegeletterdheid, wat doen we al, wat willen we ontwikkleen, en wat hebben we daarvoor nodig en aan de slag. . Daar zijn wij samen mee bezig en er komt steeds meer belangstelling voor.

Nieuwsbrief Onlinegeletterdheid #2

http://www.bbc.co.uk/guides/z9r72hvIk ben begonnen met het verzenden van een nieuwsbrief over mijn activiteiten met onlinegeletterdheid. Zie hier de webversie.
Je kan je daarvoor hier aanmelden. Om een idee te krijgen hieronder een deel van de informatie die in de tweede nieuwsbrief staat die op 18 december 2015 is verstuurd.

Proefscholen. Op drie VO scholen wordt nu onderzoek gedaan naar het invoeren van onlinegeletterdheid in het curriculum. De scholen die participeren zijn: Piter Jelles / !mpulse in Leeuwarden, Vathorst Collega in Amersfoort en Helen Parkhurst in Almere.
Op dit moment zijn we bezig met het afnemen van een uitgebreide test onlinegeletterdheid en vragenlijsten bij  leerlingen en docenten. Daarnaast zijn we bezig met het ontwerpen van lessen rond zoeken / kiezen, kritisch beoordelen en synthetiseren van online informatiebronnen. Deze lessen worden zo veel mogelijk geïntegreerd in het curriculum Nederlands. In het onderzoek wordt gewerkt met experimentklassen en controleklassen. Eind januari gaan we de lessen geven in de experimentklassen.
Het eerste onderzoeksdoel is om in mei via dezelfde test en vragenlijsten te bepalen wat het resultaat is van deze interventie. Een tweede doel is om te kijken hoe het proces van toetsen, ontwerpen en geven van lessen verloopt.
Dit onderzoek resulteert in case-studies. Ook wordt de toetstomgeving onlinegeletterdheid getest en verbeterd.

Toets Onlinegeletterdheid ORCA-Nederlands
Om te kunnen bepalen hoe goed leerlingen zijn in onlinegeletterdheid hebben we een toetsomgeving nodig. In Nederland was deze nog niet beschikbaar. In Amerika is een professionele testomgeving ontworpen door Don Leu en collega’s, ORCA (Online Reading Comprehension Assessment) geheten. Deze test is uitgebreid getest op validiteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid en wordt daar al jaren gebruikt. Jeroen Clemens heeft de beschikking gekregen over deze test en wij zijn bezig deze test bruikbaar te maken voor de Nederlandse situatie. Drie leerlingen van zijn school zijn experts in programmeren en hebben de test opnieuw geprogrammeerd. We gebruiken deze test nu op de proefscholen.
Voor verdere ontwikkeling van deze testomgeving kunnen ook andere scholen contact opnemen met Jeroen Clemens. In onderling overleg kunnen dan afspraken worden gemaakt, waarin voorwaarden, inzet en kosten worden geregeld.

Vooronderzoek Curriculum Nederlands.
Om onlinegeletterdheid een volwassen plaats te geven in het curriculum is het nodig dat de kerndoelen en eindtermen daarop worden aangepast. In Amerika is dat inmiddels al gebeurd bij de aanpassing van de Common Core State Standards, waar onlinegeletterdheid is geïntegreerd in eindtermen van alle vakken, met speciale nadruk op taalonderwijs. Hierdoor is vanzelf ook een stap genomen in taalbeleid, waarbij onlinegeletterdheid overal een plaats heeft. Als dit hier ook zou gebeuren heeft dit een grote invloed op nieuwe lesmaterialen en toetsen.
Dit is nog niet zover, maar de SLO is bezig met een Vooronderzoek Curriculum Nederlands, waar ik ook commentaar op heb mogen leveren. Het opnemen van onlinegeletterdheid in het curriculum wordt nu heel serieus genomen. Dit zou veel helpen.

It Giet Oan! Een stap verder met de ontwerpgroep onlinegeletterdheid

Schermafdruk 2015-11-15 13.39.14

Dit schooljaar ben ik vooral bezig met het ontwikkelen van de concrete praktijk van onderwijs in onlinegeletterdheid. Ik ben blij dat er veel interesse is. Belangrijk is het nu meer concreet te maken door het ontwerpen van lessen en materiaal en dit uit te proberen. We zijn sinds kort weer een stapje verder. Er start een landelijke ontwerpgroep en voor mijn onderzoek werk ik met drie proefscholen die lessen ontwerpen en uitproberen. We gaan kijken of die lessen de leerlingen beter maken in onlinegeletterdheid. Dus moeten we ook zicht op te krijgen op hun onlinegeletterdheid voor- en achteraf. Hiervoor heb ik inmiddels een testomgeving gemaakt, die is gebaseerd op het ORCA (Online Reading Comprehension Assessment) instrument van Don Leu c.s. Dit heb ik gedaan in samenwerking met slimme leerlingen als programmeurs.
Maar inmiddels zijn er ook veel leraren, remedial teachers en scholen die aan de slag willen. De uitdaging is nu om dit zo te organiseren dat we kunnen werken aan co-creatie zonder dat we vaak bij elkaar komen. Er gaan namelijk mensen meedoen uit bijvoorbeeld Heerenveen, Goes en Brugge in Vlaanderen. Leraren geven zich op via de workshops die ik hou en als reactie op een oproep die ik heb gedaan om samen te gaan werken. Ik heb voorgesteld om vooral vooral online te gaan werken via een online community en via Google Drive. Ik heb  al ervaring met deze manier van samenwerken met mijn leerlingen en heb op deze wijze ook al samen met leraren opdrachten gemaakt voor de veranderde eindexamen Nederlands.
Maar het is niet makkelijk – elk geval niet voor mij – om een goed werkende online werkgemeenschap van de grond te krijgen. Alleen informatie, voorbeelden en een manier van werken is niet genoeg. Er moet toch een combinatie komen van live bijeenkomsten en online werken. Maar mijn tijd is beperkt, lesgeven en promoveren vragen ook veel tijd en aandacht. Op de HSN conferentie van 13 en 14 november heb ik hier tijdens mijn workshop en op andere momenten over gesproken met mensen die actief aan de gang willen. Hoe kunnen we regionaal en landelijk aan de slag in een combinatie van live bijeenkomsten en online. Een van de beslissingen die we hebben genomen is dat vooroplopende mensen een aanvullende rol gaan nemen om het ontwerpen op regionaal verband te ondersteunen. Dries Krikke uit Heerenveen is de eerste die deze rol wil gaan vervullen in het Noorden. Hij wordt het rayonhoofd in het Noorden van Nederland. Daarom in de titel het enthousiaste It Giet Oan! Hij gaat met de proefschool in Leeuwarden samenwerken en probeert ook anderen uit de regio actief te krijgen en te ondersteunen. Hij zou ook bijeenkomsten in die regio kunnen organiseren. Ik ben erg blij met deze nieuwe manier van werken. Ik ga eerst kijken hoe dit in de praktijk uitwerkt, maart ben nu toch al op zoek naar collega’s die een vergelijkbare rol zouden willen en kunnen spelen voor de regio’s Randstad, Oosten en Zuiden. Neem contact op voor overleg hierover. We gaan zien of dit werkt. Ik wil zelf af en toe meewerken op een regionale bijeenkomst en iemand hebben die mij kan ondersteunen het proces actief te houden in de regio. Hopelijk is dit een vorm van professioneel samenwerken die het implementeren van onlinegeletterdheid een nieuwe impuls zal geven.
Een tweede beslissing die tijdens de HSN conferentie is genomen is dat ik meer halffabrikaten wil gaan maken van lessen en materialen voor onderwijs in onlinegeletterdheid. Het blijkt toch vaak te moeilijk om met alleen losse voorbeelden en informatie bruikbaar lesmateriaal te ontwerpen. Dit wist ik al maar had niet genoeg tijd om het anders te doen. Er is toch meer steun voor nodig. We kunnen nu een stap verder doen doordat ik een afspraak voor samenwerking heb gemaakt met Maarten Sprenger. Hij is specialist kinderinformatie en zoekgedrag bij startup Wizenoze, publiceerde het boek “Slim Zoeken op internet” en ontwikkelt een doorlopende leerlijn zoekvaardigheden als onderdeel van Onlinegeletterdheid. Maarten en ik gaan een serie lesmodules maken die door leraren en scholen op maat gemaakt kunnen worden. Hierdoor denken we dat het ontwerpen en uitproberen van lessen beter van de grond zal komen. Ook zullen Maarten en ik gaan werken aan een betere online community. Hij heeft daar veel ervaring mee. Zo heeft de HSN conferentie nog veel meer opgeleverd dan een goede conferentie voor de meer dan 400 aanwezigen. Ik ben er blij mee. Onderwijs is onlinegeletterdheid giet oan!

Weer Babylon: waarom we het elkaar zo moeilijk maken en we dat niet meer moeten doen

BabylonKennisnet heeft wel een mooie nieuwe website, maar draagt wel weer bij aan de verwarring die heerst rond geletterd zijn online. Een korte beschrijving van het laatste ICILS onderzoek heeft als titel Onderwijs draagt nauwelijks bij aan digitale geletterdheid. De beschrijving zegt dat het onderzoek gaat over “veilig omgaan met ict en het vermogen om effectief informatie te zoeken, selecteren, beoordelen en delen met digitale media. De onderzoeksresultaten tonen aan dat lessen over mediawijsheid of het gebruik van ict op school geen invloed hebben op de digitale geletterdheid van jongeren. De score van leerlingen op een praktische toets voor digitale geletterdheid wordt vooral bepaald door de thuisomgeving, zo blijkt.” Heel veel termen die iets met gebruik van ict en/of digitale of online informatie te maken hebben in een alinea. Door ICILS wordt digitale geletterdheid in zeer ruime definitie gebruikt, en vooral bedoeld dat jongeren veel achter de computer zitten (wat bij 21t eeuwse vaardigheden dan weer het pizzaschijfje ICT-vaardigheden is). Digitale geletterdheid is ook gekaapt door de KNAW in hun rapport, waarmee getracht werd informatica te redden van de dood. Boven de beschrijving op Kennisnet staan ook nog twee twee onderwerptitels (1) Digitale vaardigheden en (2) 21ste eeuwse vaardigheden. Daar kan het ook wel onder.
De laatste tijd heb ik bijna elke week een workshop, key-note of adviesgesprek over onlinegeletterdheid en ik merk dat de Babylonische spraakverwarring erg in de weg zit bij het serieus aan de slag gaan door leraren. Ik heb daar anderhalf jaar geleden al uitgebreid over geschreven onder de titel onlinegeletterdheid: weten waar we over praten. Ik ben ook schuldig met mijn term onlinegeletterdheid, maar ik merk wel dat de koppeling geletterdheid (lezen en schrijven) en online de meeste leraren talen / Nederlands het gevoel geven dat ze het over hun eigen vak hebben. Het gaat er helemaal niet over dat informatie digitaal is, maar dat informatie online een heel andere vorm heeft en dat om daar goed mee o te gaan nieuwe vaardigheden nodig zijn en andere belangrijker zijn geworden. Met het gebruik van de naam onlinegeletterdheid  blijf ik dus maar doorgaan.
Mijn oproep is wederom wel goed uit te kijken met het zomaar door elkaar gooien van allerlei termen. Het geeft verwarring en dat kunnen we echt niet gebruiken. Om te eindigen met een vrolijke noot: ik was erg tegen de term Mediawijsheid ( en nog steeds een beetje), maar ben nu veel meer vriendjes, vooral doordat ik samen met Patrick heb gemerkt onder dat we goed samen kunnen werken en dat leraren dat waarderen.

Mediawijsheid en Onlinegeletterdheid meer vriendjes

onletcartoon

http://mhhsinternetsafety.weebly.com

Leerlingen hebben vaak moeite met onlinegeletterdheid: vaardigheden die te maken hebben met de complexe taaltaak van vooral lezen en schrijven online. Ik vind dat het onderwijs hier veel meer aan moet doen en daarom ben ik ook bezig met onderzoek op dit gebied. Maar een aantal jaren geleden was het moeizaam om het onderwijs hiervoor warm te krijgen.
Een van de redenen was  de Babylonische spraakverwarring met de, niet altijd even duidelijke, nieuwe terminologie: 21e eeuwse vaardigheden, digitale geletterdheid, mediawijsheid, informatievaardigheden, ICT-vaardigheden etc. Ik zag dat veel leraren (in elk geval die in het VO) de relatie met hun eigen vak niet zien, denken dat het weer een hobby van onderzoekers is en overgaan tot de orde van de dag. Om het belang van aandacht voor nieuwe taalvaardigheden online te laten aanslaan bij leraren, te beginnen bij leraren Nederlands, introduceerde ik de term onlinegeletterdheid. Een, gezien het voorafgaande, misschien een wat paradoxale stap. Een belangrijke reden om dat te doen was dat het rapport Digitale Geletterdheid van de KNAW uitkwam. De titel van dit rapport  heeft niets te maken met geletterdheid in de definitie van vaardigheid in lezen en schrijven, die mijn doelgroep daaraan geeft. Om hen ervan te overtuigen dat zij aandacht moeten besteden aan geletterdheid online en het een uitbreiding van hun vak is heb ik toen de nieuwe term onlinegeletterdheid geïntroduceerd, waarin ik geletterdheid koppel aan vaardigheid om online (op internet) goed te kunnen omgaan met nieuwe tekstsoorten, een vaardigheid die veel leerlingen niet hebben. Ik heb daarover toen ook gesproken met Kennisnet. De Podcast is hier te beluisteren.

Langzamerhand ben ik er meer van overtuigd dat ik meer moet aansluiten waar dat kan en minder verketteren. Waarom deze overgang? Patrick Koning en ik  hebben verschillende keren gesproken over waar hij (Mediawijsheid) en ik (onlinegeletterdheid) mee bezig waren. Zijn boek Mediawijsheid laat veel leraren, met name op het MBO, meer nadenken over vaardigheden die nodig zijn om competent te zijn online. Het werd ons duidelijk dat leraren Nederlands op het MBO, die vaak wel het boek lazen, voor hun vak niet goed handen en voeten kunnen geven aan eerste aanzetten die in zijn boek  staan, i.c. onlinegeletterdheid. Om te onderzoeken of het koppelen van mijn perspectief van onlinegeletterdheid en zijn veel ruimere perspectief van Mediawijsheid de leraren zou helpen, hebben wij vorige week een gezamenlijke workshop gegeven. De groep aanwezigen bestond uit leraren Nederlands en taalcoaches op het Willem I College. Die ingang was een groot succes. Zie Patricks blog hierover. We willen deze samenwerking meer uitbouwen.
Ik denk nog steeds dat voor leraren al die verschillende termen nog steeds verwarrend zijn, maar ik ben er nou meer van overtuigd dat ik veel meer moet verbinden en minder verketteren. Voortschrijdend inzicht op latere leeftijd zullen we meer zeggen. Gelukkig is de aandacht voor onlinegeletterdheid in het algemeen tegenwoordig groot. Het besef dat we aan het werk moeten is groot en daar ben ik blij mee.

Onderzoek implementatie onlinegeletterdheid op proefscholen

kidsoncomputers

In mijn promotieonderzoek naar onlinegeletterdheid ben ik begonnen aan fase drie, een case study met drie proefscholen. Het doel is om met leraren Nederlands in dit najaar lesmateriaal en lessen te ontwikkelen en die lessen in het voorjaar uit te voeren. Vooraf en achteraf worden de leerlingen getest met een Nederlandse versie van een onderdeel van de ORCA testomgeving (Online Reading Comprehension Assessment) van Don Leu, Julie Coiro en collega’s. Zij hebben mij die ter beschikking gesteld en ik heb die opnieuw geprogrammeerd en vernederlandst met expert-hulp van drie van mijn leerlingen, bij de start 15 jaar oud uit 4VWO.
Vorig jaar heb ik op het Vathorstcollege in Amersfoort al een pilot gedaan waarbij we ontwerpen en implanteren van lessen onlinegeletterdheid hebben uitgeprobeerd. Femke Pool is een van de leraren Nederlands die meedoen aan mijn onderzoek. Zie in deze video van Leraar 24 een voorbeeld van haar lessen onlinegeletterdheid. Femke legt ook wat wat ze doet en waarom ze dit belangrijk vindt.

Aanleiding en reden voor dit project
Uit onderzoek blijkt dat veel leerlingen niet goed genoeg zijn in het omgaan met informatie online, op internet, dus met onlinegeletterdheid. Daar willen we wat aan doen. Het doel van dit project is om in de praktijk van vier scholen in een docent-ontwikkelgroep lesmateriaal, didactiek en lessen te ontwikkelen rond onlinegeletterdheid, die lessen uit te testen en te kijken wat dit oplevert voor leraren en leerlingen. We doen dit in live-bijeenkomsten en online via een gesloten GoogleDrive omgeving.

Concrete doelen zijn:

  1. Leraren hebben een goed idee wat onlinegeletterdheid inhoudt
  2. Zij kunnen onlinegeletterdheid verbinden aan hun reguliere curriculum
  3. Zij hebben lessen (her)ontwikkeld voor onlinegeletterdheid
  4. Zij hebben nagedacht over dit proces van onderwijsontwikkeling en dit geëvalueerd
  5. Zij hebben deze lessen gegeven en geëvalueerd
  6. Kennis van de vaardigheid onlinegeletterdheid van deelnemende leerlingen en hun motivatie voor en na de interventie / gegeven lessen
  7. Inzicht in contextfactoren van de school die invloed kunnen hebben op de implementatie van onlinegeletterdheid op school
  8. Een bijkomend voordeel kan zijn dat de school beter zicht heeft op nut, doel en plaats van onlinegeletterdheid in de school en van randvoorwaarden om dit een succes te laten zijn.

Werkwijze
Voor het project gaan docenten samenwerken in een docent-ontwikkelgroep (DOT) met begeleiding van Jeroen Clemens, de onderzoeker. Een DOT bestaat uit minimaal twee docenten Nederlands die lessen online geletterdheid gaan ontwikkelen en geven. Afspraken hierbij zijn dat docenten werken in een jaarlaag waarbij een deel van de klassen experimentklassen worden en een deel controleklassen. We gaan werken in leerjaren en met experiment- en controlegroepen.

Fasen van het project

1. Voorbereiden
Begin schooljaar 2015-16 1.     Kiezen van leerlingen / klassen: we werken met experimentklassen (waar we lessen onlinegeletterdheid geven) en controleklassen

2.     Plannen wie wanneer de lessen gaat uitvoeren (–start: april /mei 2016)

3.     Plannen wanneer de leerlingen de test onlinegeletterdheid en de vragenlijsten maken (experiment- en controleklassen)

4.     Plannen wanneer de docenten de vragenlijsten maken

5.     Plannen van hoeveelheid lessen en data uitvoering.

2. Ontwikkelen
Najaar 2015 Ontwerpen 1.     Doelen vaststellen: waar gaan we aan werken in de lessen, hoe koppelen we de lessen aan huidige curriculum

2.     Ontwerpen lesmateriaal en lessen

3. Uitvoeren
Najaar 2015 toetsen afnemen 1.     afnemen toets onlinegeletterdheid leerlingen (ORCA, bewerkt voor Nederland)

2.     afnemen twee vragenlijsten leerlingen

3.     afnemen vragenlijst docenten

Januari- april 2016 1.     Lessen onlinegeletterdheid geven.
Mei 2016 1.     afnemen toets onlinegeletterdheid leerlingen

2.     afnemen twee vragenlijsten leerlingen

4. Evalueren
Evalueren  van lessen: wat gaat goed, wat kan beter en wat is daar voor nodig

Evalueren van ontwerp proces

Feedback van leerlingen die mee hebben gedaan

 

Deelnemers: scholen, docenten, klassen (nog voorlopig)
School Docenten Klassen
Vathorst College Amersfoort Femke Pool en .. Onderbouw H/V
Pieter Jelles !mpulse Leeuwarden Aljosja van der Baan, Anke Oosterhout & Ymke Visser stagiaire Onderbouw
Helen Parkhurst Almere Sonja van Overmeeren, Huug Samuël, Nico van Lieshout/ Joris Beun (stagiair ), Corina Huijben HAVO 4

 

 

Co-create lessen onlinegeletterdheid: power of the crowd

Naar aanleiding van verzoek van veel (toekomstige) collega’s ( leraren, lerarenopleiders en studenten in Nederland en Vlaanderen) start ik binnenkort een ontwikkelgroep onlinegeletterdheid, toegankelijk voor alle leraren Nederlands en lerarenopleiders. Als je interesse hebt, geef dit dan aan via dit online formulier . Geef deze uitnodiging door aan zoveel mogelijk collega’s. Dank alvast. Het gaat mooi worden!

In een nieuw te starten ontwikkelgroep wil ik met leraren Nederlands en lerarenopleiders / studenten Nederlands uit Nederland en Vlaanderen gaan werken aan het ontwerpen en uitproberen van nieuw lesmateriaal en didactiek voor onlinegeletterdheid. In conferenties, tijdens workshops en spontaan via mail of twitter hebben veel leraren al enthousiast gereageerd op het idee dit te gaan doen. De vragen die ik heb gekregen kwamen uit het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo in Nederland en uit Vlaanderen. Ook lerarenopleiders po en vo en studenten worden uitgenodigd. Wachten op SLO en uitgevers duurt te lang en er zijn natuurlijk veel getalenteerde collega’s. Als we samen aan de slag gaan, hebben we binnenkort goed materiaal voor ons onderwijs. Ik wil samen bepalen hoe we het best kunnen samenwerken, hoe en hoeveel online, welke live bijeenkomsten we willen organiseren etc. Help mij ook bij nadenken hierover.The power of the crowd 😉

Dit jaar ben ik in mijn promotieonderzoek bezig met een pilot op het Vathorstcollege in Amersfoort. Ik werk daar met docenten Nederlands in een docentontwikkelgroep. Wij ontwerpen daar nu al lessen en proberen die uit. De leerlingen worden eerst getest met de Nederlandse versie van de ORCA-test, een veelgebruikte testomgeving uit Amerika van Don Leu en collega’s. Ik heb daar een Nederlandse versie van gemaakt samen met drie van mijn leerlingen als programmeurs. Die kan ook worden ingezet. Zie meer in deze blog.

Ook ga ik volgend jaar mijn implementatieonderzoek uitbreiden en wil ik met minstens vijf scholen gaan werken. Ook daar kunnen we het samen ontwikkeld materiaal en didactiek uitproberen en onderzoeken.
Stel mij vragen als je meer toelichting wilt. Adresgegevens (mail, twitter, GooglePlus etc.) vind je op mijn profielpagina.

HSN28 Conferentie Onderwijs Nederlands Brugge 2014

De Conferentie Nederlands HSN28 op 14 en 15 november 2014 in Brugge was een groot succes. Bijna 500 deelnemers, verdeeld over twee dagen. Bij binnenkomst al gelijk een mooi ontworpen boek met de abstracts en het programma.

Deze wordt binnenkort ook online ter beschikking gesteld via het TaaluniveIMG_2514rsum van de Taalunie waar de andere conferentiebundels van de HSN conferenties ook staan. Er werden meer dan 80 workshops en presentaties aangeboden in 11 stromen (1) Basisonderwijs, (2) Evaluatie en toetsing, (3) Hoger onderwijs, (4) Leesbevordering, (5) Lerarenopleiding basisonderwijs, (6) Literatuuronderwijs, (7) Onderwijsinnovatie, (8) Taalbeleid en -screening, (10) Taalbeschouwing en (11) Taalvaardigheid

Jordi Castelyn van de Universiteit Gent (Ugent) en ik waren kolomleiders van de stroom Onderwijsinnovatie met zeven presentaties. De abstracts vind je hier. Binnenkort komen links naar een aantal presentaties hier beschikbaar. Kom dus regelmatig terug.

De volgende workshop zijn gegeven in de stroom Onderwijsinnovatie  (1) Leuridan & Eva Van de Wiele Digitale ondersteuning bij schrijfopdrachten, (2) Matthias Lefebvre Voer je eigen taalonderzoek!, (3) Elke Van Steendam & Luk Degrez Effecten van expliciete en impliciete instructie op verwerven van academische schrijftaak, (4) Differentiatie in het onderwijs, (5) Dhaenens, Bart Devos & Jordi Casteleyn’Storyboarding en leren presenteren, (6) Arnaud Kuipers & Rutger Cornelissen Flip je les Nederlands en (7) Jeroen Clemens Onlinegeletterdheid. Een uitdaging voor leraren en lerarenopleiders.

Mijn presentatie was de laatste op zaterdag, maar de vrees dat leerlingen het laatste uur geen zin meer hadden, was geheel ten onrechte. Het klaslokaal kon 65 mensen herbergen en het waren er meer. De interesse was groot, het was een divers publiek en het was zeer actief en inspirerend. Verschillende leraren en lerarenopleiders kwamen met interessante vragen en wilden ook zelf aan de slag. Ondanks dat mijn promotieonderzoek en ontwikkelwerk betrekking heeft op het VO, was er ook veel interesse uit het beroepsonderwijs, het PO en de PABO’s. Ook onderzoekers waren aanwezig. Ik geloof erg in de ‘wisdom of the crowd’, dus ik overweeg nu om een online ontwikkelomgeving te  maken, waarin leraren en lerarenopleiders uit Nederland en Vlaanderen samen aan het werk gaan om mooi lesmateriaal te ontwerpen. Een deel daarvan kan ik later weer onderzoeken op effectiviteit. Hierover later mee in een aparte blog. Heb inmiddels al een uitnodiging om in Torhout in West-Vlaanderen een studiemiddag te houden, zoals al eerder in Hasselt. Heel inspirerend allemaal.

Gelukkig is de staatssecretaris Sander Dekker @SanderDekker, ook enthousiast over de aandacht voor onlinegeletterdheid 😉

Retweet van Sander Dekker staatssecretaris onderwijs